Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
112 DÉ DOOD -VAX AUGiASi
» » Daii kon het rnoïelijk nog gaan;
»» Maar anders znlt gij slecht bij de aanbesteding staan.''**
»01 is het anders niet?" sprak' Herkules; »welaan!
» Dan zullen wij het anders rooijen :
v'k Heb gindsche heuvels dan maar Avat op zij' tegooijenj
» 'k Schop hier en daar wat kleijen stuipen neèr;
» Vervolgens ga ik heen , ik scheur wat Aveiden open ,
» En 'k doe het Avater herwaarts loopen . . .
» Ruim baan nu maar en geen geAvawel meer l"
Nu deed de man, zoo als^ hij had gesproken:
Wat in den Aveg stond, zwichtte, en ruimde voor en na j
En Aveide en heuvel was Aveldra
Vernield , verplaatst of doorgestoken ;
Daar kwam nu 't water uitgebroken,
En golvend , bruisend , stoof het door
Het ingegraven wonderspoor,
En deed van stof en schuim geheel de landstreek rrtoken.
Het klotste al voort en drong, met donderend geschal,
De deuren binnen van den stal,
En spoelde 'tvee om ver, dat, gansch maar niet te vredenj
(Want koeijen, ach! verstaan geen reden)
Al vrij Avat morde op zijn manier,
Om *t onverwacht bezoek dier knorrige rivierk
Een uur of wat Avas zoo verstreken;
ïoen Avas de mest geloosd, en 't restje stond te weekerii
Nu smakte vader Herkules
Een' handelbaren berg vijf zes
In de opgegraven oopning lieder
En stopte 't stroomend Avater weder J
En Avat daaraan nog had Avei'rstaan >
Moest voor den bezem nu er aan.
i> IM triomf! hoezeel Wilhelmus van NassouAven!
V Wien 't Grieksche bloed in de aadren vliet
Zoo ging het toen, bij kreet en lied ,
De straten op en neêr, met opgestroopte mouAven ,
De bezems op den nek, de schrobbers in de vuist|
En Herknies vooruit, besmoeseld en begruisd.
Intusschen ZAveefde op vleêrmuisvlerken
De nacht al laag en lager neèr;
En Herkules j vermoeid Aan 't AA^erken,
En meer van d'oogst van lof en eer,
Verlangde door souper en slaap zich 't hart te sterkeii |
En keerde naar zijn herberg Aveér.
Hij at en sliep, zoo als men slapen kan en eten,
Wanneer men lijf ea ziel pligtmatig heeft gekweten*