Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
110 DE DOOD VAN A U G I \ S.
Maar onder dezen zwerm, die been en wedervloog.
Niet een , die minder zwetste en minder dus bedroog
Dan Herkules, een snaak \an ongehoord vermogen.
Van onbetenibre kracht en moed, en danig leep.
Die in zijn wieg bereids een slang de keel toe neep ,
De hinde van iiiaan in sneiJen wedloop greep ,
En zelfs den helhond,, stout, dorst treden onder de oogen.
Hem aanpakte in de ruige vacht
En uit den afgrond op de bovenwereld bragt;
Een reus, die leeuwen Avorgde en draken nedervelde ,
En, kortom, iedej' hielp in alles Avat hem kAvelde:
Die kerel als een boom dan landde in f]Iis aan.
Door zijne faam vooraf gegaan.
Hij ging in 't Gouden hert logeren.
Daar bleven duizenden van burgerlui en heeren
Voor 't ruim hotel als Goudsche gapers staan
Om 't wonder der natuur te aanschouwen.
De Koning, Avien al ras zijn komst geboodschapt werd,
Zond zijnen Chambellan du jour naar 't Gouden hert ^
Om over 't stalbelang den reus eens te onderhouén ;
En , kwasie, van ter zij' te vragen om zijn' raad.
Met al 't beleid van een' doorslepen diplomaat.
Nu was die Herkules, met hoe veel lauAverkroonen
Hij zijne diensten en verdiensten zag beloonen,
Én hoe a-an iedereen gejubeld en bemind,
Niet trotsch, och neen ! niaar steeds te spreken als een
Het echte adelmerk van edelaarde grooten , (kind :
Die uit geen molshoop sproten.
» Breng mij,"zoo sprak hij : »maar eenvoudig bij UAv'V^orst,
» Én is de man een brave borst,
V Die reden Avil verstaan , en kracht- en kunstbetooning
» Vergelden zoo als 't past aan een' regtschapen Koning,
V Zie hier zijn' man dan, die den ongemeten stal
^ » Van 't opgehoopte vuil knaphandig zuivren zal,
»Maar rond en eerlijk! om de dood geen hoofsche treken 1
» Of 'k zou met deze knods hem schoft en lenden breken."
Nu tastte hij zijn' knoeststok even op,
En zAvaaide driewerf dien zich om den ruigen kop,
TerAvijl de kamerheer, die raakte aan 't zuizebollen
Door 't gonzen van de lucht alleen,
Zich langzaam wegdrong naar de deur der kamer heen,
En 't hazenbloed hem reeds in 't hart begon te stollen.
»Welnu, liât!" zoo sprak dan deze: » heb uw' eisch!
» En gaan wij zaïaen naar het koninklijk paleis."