Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
ÖE nOOD VAN AUOIAS. 109
De Veebaas niettemin betaalde 't onbekrompen;
Maar, daar hij Koning was, had hij ook meer te doen
Dan zijnen vorstelijken sclioen
Te ruilen nu en dan voor vuile slagtersklompen»
Om na te vorschen op het mat
Hoe 't met den staat der stalling zat:
Er viel somwijlen wat te vechten
In 't veld , op 't schaakbord, of in kolf- of kegelbaan}
En soms wet r woei de lust hem aan,
Om slemppartijen aan te regten
Of op de jagt te gaan.
ïn 't kort: hij liet weldra 't beheer van vee en stallen
Op 't blind fi-eloof zich Avelgevallen;
Maar eindlijk brak de bommel uit:
Daar moest vorst Augias ervaren ,
Hoe nu reeds sedert dertig jaren
De luiheid zijner stalknechtsscharen
Het, tegen pligt en eed, op 't deerlijkst had verbruid!
De stalling was vervuild , en bak en ruif begroeide.
Al , wat in Klis met de schoonmaak zich bemoeide,
Verklaarde en zwoer uit éënen mond ,
Er nimmer, wat men schrobde of boenen mogt, meergroniJ
In deze stalling was te krijgen.
En , schoon de grimmige Augias
De les aan 't stalrot duchtig las ,
De nood, die hoog reeds was, bleef daaglijks meer nog stijgen*
Maar wat gebeurt er 1 — Iets , mijn lezer I dat gewis
Een wonder in uwe oogen is :
Een poosje slechts geduld 1 en 't zal zich openbaren.
Wie 't groot, maar morsig, werk roemruchtig wist te klaren*
Gelijk wij ook in Nederland
Die M'onderschepsels soms ontdekken ,
Die spreken uit den buik, behendig kiezen trekken,
Verjaarde rheumatismen nekken.
En hunne hulp en kunst ons veilen in de krant;
Zoo trokken ook, van tijd tot tijd, door Grieksche stedert
A'^ermaarde wonderdokters rond ,
Met pillen voor de jicht, met spoeling voor den mond ,
Met kruid voor elke kwaal, met zalf voor elke AVond,
En tooverden de lang verstramde leden
Door strijken weèr gezond ;
Of zuiverden van ratten en van muizen ,
Op kamerjagerlijk patent, de Grieksche huizen.