Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
A L B R E C H T B E I L I N O. lOl
Hij stprfc, en zinkt met klont en kluit En vindt in 't slijk den dood , Maar schittrend stijgt zijn eer er uit, Geweld en Avrok te groot.
Hij stort, en op zijn grafgesteent', (Zoo ver het weerzijds heugt) Is de eerste Hoeksche traan geweend Om Kabeljaauwsche deugd.
H. TOLLENS , CZ.
VERWAANDHEID.
"iVje waarheid zoekt en wijsheid mint, Is needrig als 't leergierig kind , Dat steeds aan 's meesters lippen Men ingespannen aandacht hangt, En dankhïiar raad en les ontvangt. Die aan zijn' nioud ontglippen»
Te regt! de wijste , die er is , Gaat zelfs den 'doolweg nog niet mïar, En struikelt menigmalen ; Maar vraagt, en wikt, en onderzoekt , Opdat hij niet, door schijn verkloekt. Nog'verder af zou dAvalen.
AVat beeldt die snapper zich dan in, Die, naauw met vlas nog om de kin , Den blik zoo tiotsch durft werpen? Die dus den geesel van zijn tong Op wijs en zot, op oud en jong i,aatdunkend durft doen snerpen ?
/ \ \