Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
04 S E L I M A.
Alleen sloeg Lorre van zijn kruk
De droeve Selinia
Met oogen vol van wantrouw gaä,
En zag heur schrikbaar ongeluk.
Doch merkte 't niet zoo dra,
Of riep haar straks al jouwend na,
Jouw lelijkert, en ha , na , Ira I
Een gunstling heeft, hoe onverdiend,
In 't onheil nooit een vriend.
Maar gy, die 't minlijk poesjen derft,
Bevallige Klimeen 1
Ai, mati^ uw bedrukt geween:
De droefheid, die uw kaak misverft,
Behoort ^eeu Katjen , neen,
Hoe vol ook van aanminnigheèn!
Maar wilt gy, richt een marmersteen
Op 't graf der arme Drenkling op.
Met roosjens aan zijn top.
En schrijf dan vrij op 't lijkgesticht,
Met eigen rechterhand ,
Den naam van 't u zoo dierbaar pand ,
En voeg er by een denkgedicht.
Gesteld op dezen trant:
» Blijf, stervling, voor de lust bestand!
» Zy is aan 't wis bederf verwant.
» Verlokking heeft een gladden rand;
» Dus wacht u voor den kant!"
w* BILDERDIJK«
HET GEWETEN.
TVaan niet, dat ge op uw kracht vermetel,
o Stervlin^^ ! ooit u-zelf ontvliedt:
Gods Uegter heeft in 't hart zijn' zetel;
Die vierschaar, mensch ! ontvlugt ffij niet!
Eer Avrinjjt, als 's Etnaas ingewanden
In ijsbren vuurgloed slaan aan 't branden.
De kinderhand zijn' gorgel toe,