Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
S R L I M A.
Den sierlijk gesrhakeeiïden pronk
Waamieè \atuur henr vacht beschonk.
En echt Sineeschen kneveibaard,
En fulpen ooren, waard. _
Zij loerde, en zag in 't stilstaand meir.
Dus schildrende op heur post,
In oogverblindend goud gedoscht.
Twee vischjens ,"zwemmende op en néér.
De roem van 't schubbig heir.
Een purpren glans, zoo zacht en teèr.
Als 't zilver van de duivenvecr.
Verhief dien gulden zonnegloed
Op 't blaauwen van den vloed.
Al dartiend op en onder 't vocht,
Onwetend van gevaar,
Vermaakt zich 't stom en weérloos paar,
Gants buiten vrees en achterdocht,
^n wordt nog niets gewaar.
Maar ijlings klieft een knevelhair,
En flux een rui^e klaauw, de baar.
En tast, en zoekt een lekkren prooi
In zulk een fraaien tooi.
Wat hart wordt door geen goud verlokt?
Wat huiskat door geen visch ?
Het dier grijpt zes- ja tienmaal mis.
Door grauge lust en schroom geschokt:
In 't eind heur' greep gewis.
Verlengt zy poot en nagelspits,
"En rekt zich uit zoo lang zy is,
Doch glibbert van de gladde baan.
En stort in d'oceaan.
Wel tienwerf geeft zy *t lijf weèr op.
En maauwt met wijden strot,
Tot eiken dooven watergod,
Al worstlend met het ruime sop,
Tot ze eindlijk zwicht voor 't lot.
Geen Triton kwam van uit zijn grot,
Geen Tethijs uit heur waterslot,
En Jacqueline noch Margriet,
Vernam heur schreeuwen niet.
93