Boekgegevens
Titel: De muzikale vriend der jeugd, of Bevallige zangstukjes voor het opkomend geslacht: ook tot schoolgebruik
Deel: 3e en laatste stukje
Auteur: Oudshoff, W.
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1826
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6742
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200025
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De muzikale vriend der jeugd, of Bevallige zangstukjes voor het opkomend geslacht: ook tot schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
O Zomtrlijd wie kan zijn' boezem »luilea
Voor 't schoon, dat gij alom ons biedf,
Hoe noodt ge ons uit de muöe stad naar buiten,
VVaar men natuur in 't feestkleed ziet,
Ja, Zomertijd!
U blgft ons feestlied toegewgd.
3.
O Najaarstijd! gij vult de voorraadschuren,
Biedt ons den schat des aardrijks aan ^
Doet hier ons oog op volle schoven turen,
Op boomen ginds met ooft belaan.
U, Najaarstijd!
Zij aller dankbaar lied gewijd
4.
O Wintertijd! wie smaalt uw' avondstonden,
Zoo leerrijk, als, aan eigen baard ,
Een stille kring vereenigd wordt gevonden.
Waar hooger kennis wordt vergaard.
O Wintertgd!
U zy bet huislijk lied gewgd.
5.
Katuur! Natuur! bij 't wisslen der getijden,
Faalt nimmer stof aan ware vreugd;
p5 biedt steeds voedsel tot opregt verhlydeii
Den grazen stok en prille jeugd.
Natuur! Natuur!
Ons lied rgit voor ü ieder «ur.
Mf.