Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
archipel is Java. Over 't geheele eiland loopt een vul-
kaanreeks {Salak, GedeJi, Tjerimai, Slamat, Merbahoe,
Merapi, Lawoe, Wilis, Keloet, Ardjoeno, Semeroe), die
zich hier en daar splitst, waardoor vooral in 't wes-
telijk gedeelte hoogvlakten worden ingesloten {Plateau
can Bandoeng). De hoogste top op Java is de Semeroe,
die zich tot 3672 M. verheft. In 't oostelijk deel zijn
de bergen meer door diepgelegen dalen gescheiden,
zoodat, indien de zee ± 600 M. hooger was, 't westen
zieh als een groot eiland, 't oosten zich als eene rij
van kleinere eilanden zou vertoonen.
't Gebergte nadert de zuidkust 't meest en loopt
daar op vele plaatsen tot aan de zee, zoodat de zuid-
kust over 't algemeen steil is. De noordkust is over
't geheel vlak en bestaat uit een breede strook aan-
geslibden grond, die door den vereenigden invloed van
zee en rivieren voortdurend nog in grootte toeneemt
{rhizophoren of wortelboomen).
Java is rijk besproeid, doch slechts een klein aantal
rivieren zijn van eenig belang voor de scheepvaart.
Deze zijn in 't oosten de Solo of Bengatvan en de
Brantas, in 't westen de Tjitaroem en de Tjimanoek.
Daar deze tot op eene aanmerkelijke hoogte voor
groote prauwen bevaarbaar zijn, kunnen ze als groote,
natuurlijke wegen uit 't binnenland beschouwd worden.
Toch zijn de overige rivieren van groot nut, daar ze ge-
bruikt worden tot't kunstmatig besproeien der sa wah's.
Groot is bij de Indische rivieren 't verschil in wa-
terstand in de verschillende deelen van 'tjaar; terwijl
ze in den drogen moesson bijna uitgedroogd zijn,
zwellen hare wateren in den regentijd zoo sterk,
dat ze geweldige overstroomingen (bandjirs) veroor-
zaken en daardoor dikwijls groote schade aanrichten.