Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
er aanmerkelijk hooger dan in ons land. Deze warmte
wordt echter aanmerkelijk getemperd door de frissche
zeewinden, die gedurende den dag aan de kuststreken
(dus 't laag gelegen gedeelte) waaien, terwijl in de
bergstreken de temperatuur door de hooge ligging
veel gematigder is. Daarenboven is de werking der
warmte minder afmattend, omdat de nachten er even
lang zijn als de dagen.
Het verschil in jaargetijden iiaiigt er niet van den
hoogeren of lageren warmtegraad af, zooals in de ge-
matigde streken, maar van de grootere of kleinere hoe-
veelheid regen, die er in zeker deel van't jaar valt. Het
verschil in warmte tusschen de koudste en de warmste
maand bedraagt er hoogstens 2° C., in vele streken
nog minder (te Batavia b. v. ruim 1° C.) en wanneer
men de twee halfjaren vergelijkt, is 't zelfs moeielijk
uit te maken, welk van de twee 't minst warme is.
Het verschil in warmte op de verschillende uren van
een zelfden dag is aanmerkelijk grooter.
Grooter is 't verschil in de hoeveelheid regen, die
er in beide halfjaren valt. Men verdeelt't jaar daarom
in een nat en een droog jaargetijde (moesson). Dezen
naam moesson geeft- men ook aan de winden, die dit
verschil in jaargetijde veroorzaken.
Daar de lucht in de streken tusschen de keerkrin-
gen voortdurend sterk verwarmd wordt, waardoor haar
gewicht afneemt, wordt zij verdrongen door lucht,
die langs de aardoppervlakte uit koelere streken, dus
uit 't noorden of 't zuiden, toestroomt. Voortdurend
zal dus in de keerkringsgewesten ten noorden van den
aequator een noordenwind en ten zuiden van den aequator
een zuidenwind moeten waaien, doch door de aswente-
ling der aarde veranderen die richtingen in eene noord-