Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
groote steden ook voor rijtuigen en voetgangers ge-
vaarlijk, daar zij den rnensch vaak belet zelfs weinige
passen voor zich uit te zien.
Gemiddeld zijn er jaarlijks 150 regendagen, ofschoon
er wel op 200 dagen van 'tjaar eenige regen valt.
Zakte het regenwater niet in den grond, verdampte
het niet, stroomde het niet in de groote wateren af,
of gebruikte de mensch er niet van, m. a. w. bleef
alles, wat in één jaar neervalt, op de plaats, waar 't
gevallen is, dan zou ons land in dien tijd gemiddeld
6,9 d.M. onder water staan.
De meeste regen valt in den herfst, de minste in
de lente. Gedurende het eerstgenoemde jaargetijde valt
de grootste hoeveelheid in de zeeprovinciën, gedurende
het laatstgenoemde in de landprovinciën.
Ons klimaat is zeer vochtig en daardoor ongezond
voor den vreemdeling (Zeeuwsche koortsen).
Merkwaardig zijn nog de plotselinge weersverande-
ringen. Des zomers toch zijn hagelbuien hier volstrekt
geen zeldzaamheden en op één dag slaat het weer
soms eenige keeren om. Moge dit onaangenaam zijn, er
staat tegenover, dat stortregens, die dagen aanhouden,
en wolkbreuken bij ons geheel onbekende verschijn-
selen zijn.
Voortbrengselen en middelen van bestaan.
§ 35. In zeer nauw verband met de grondsgesteld-
heid, het klimaat en de ligging al of niet aan zee
staan de voortbrengselen van een land en de middelen
van bestaan der inwoners i). Een gedeelte van ons
1) Kunt ue het verband tusichen grondsgesteldheid, voortbrengselen
en middelen van bestp.an wel verklaren?