Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
§ 34. Van de streek, ivaaruit de wind komt, han-
<jen grootendeels zijne eigenschappen af.
Bij zuidwestenwind komt de lucht over zee naar ons
toe en in het najaar, wanneer het land reeds begint af te
koelen, nog wel over eene in vergeljjking warme zee.
Op dien tocht heeft zij veel waterdamp in zich opge-
nomen en, omdat warmere lucht meer daarvan met
zich kan voeren dan koudere, moet zij, wanneer zij
door 't land eenigszins wordt afgekoeld, veel daarvan
afstaan. Dit is de reden, waarom bij ons in den herfst
zooveel regen valt. Hetzelfde zien we gedurende den
winter gebeuren; de westenwinden brengen dan ge-
woonlijk dooi en regen aan. In het voorjaar wordt het
land weder warmer en dus wordt de uit zee komende
lucht niet afgekoeld, maar integendeel verwarmd en
verkrijgt daardoor het vermogen nog meer waterdamp
op te nemen dan zij reeds bezat. Waait er dus in
het voorjaar een westenwind, dan is die doorgaans
koud en geeft weinig regen. Over 't algemeen is een
koude zeewind droog, een warme vochtig. De noor-
denwind komt ook over zee tot ons, maar uit streken,
waar 't veel kouder is dan hier, en brengt dus geen
regen. De zuidenwind komt uit warme streken en zou
dus overvloedig vocht geven, zoo hij ook over eene
watervlakte streek, wat echter niet het geval is. Ten
oosten van ons land ligt nergens zee, daar heerscht
dus het vastelandsklimaat, zoodat de oostenwind 's zo-
mers warm, 's winters zeer koud, maar altijd droog is.
Door de dampen, die uit het water opstijgen, wordt
ons land vaak in dikken nevel (mist) gehuld. Hoe
deze nevel ontstaat, kan men des zomers na zonson-
dergang zeer goed boven slooten en vaarten bemerken.
Dikwijls is zulk eene mist voor vaartuigen en in
3