Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
tuur bedraagt 50° Fahrenlieit. Januari is de koudste
maand, dan teekent de thermometer gemiddeld 34® F.;
de warmste is Juli (gemiddeld 65° F.); de hoogste
temperatuur, die in den laatsten tijd is opgeteekend,
was 950 F.
§ 33. In nauw verband met den warmtegraad van
den dampkring staan de winden. Wind is niets an-
ders dan lucht, die zich van de eene plaats naar de
andere begeeft. Wordt de lucht ergens verwarmd,
dan wordt ze tevens lichter, waardoor hare drukking
vermindert. Nu stroomt de koudere lucht toe om het
evenwicht te herstellen en een luchtstroom of wind
ontstaat. Beschouwen we nu in 't kort, hoe door de
dagelijksche verwarming der zon in ons land een lucht-
stroom ontstaan moet. Dit hemellichaam komt in het
oosten op en verwarmt dus de oostelijk van ons land
gelegen streken het eerst. Daardoor zal dus een wes-
tenwind (hier zeewind) ontstaan, te meer daar het
land de warmte spoediger opneemt dan het water.
De zon gaat langzamerhand naar 't zuiden, waar ze
op den middag staat, en de wind zal dus naar 't noor-
den draaien. Gaat de zon verder, dan draait ook de
wind door naar 't oosten, altijd als 't ware naar de
zon toewaaiende, en wordt landwind. Deze draaiing
kan men echter alleen dan bemerken, wanneer geen
overheerschende evenwichtsverstoringen in den damp-
kring plaats grijpen, wat vaak gebeurt.
Eene zoodanige storing is de luchtstroom, die in de
zee ten westen van Europa, vooral 's winters, van 't
zuiden naar 't noorden gaat. Deze stroom buigt in
onze streken naar 't oosten en komt in Nederland als
zuidwestenwind, die dan ook het meest in ons land
waait. Oostenwind heeft men er zelden.