Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
gen de hooge -venen op den zandgrond van het diluvium.
Men vindt er tegenwoordig op de grenzen van Fries-
land, Drente en Groningen; in 't zuiden en zuidoosten
van beide laatstgenoemde provinciën; ten noorden van
Almelo en op de grenzen van Limburg en Noord-
Drabant.
§ 16. Langs de tegenwoordige en de vroegere ri-
vieren vindt men rivierklei. Langs de beekjes is de
grondstof eenigszins gewijzigd en draagt den naam
van beekbezinking. De Betuwe bestaat geheel uit rivier-
klei, terwijl ook langs de Maas, den LTsel, den Krom-
men en den Ouden Rijn en de Utrechtsche Vecht
aanmerkelijke beddingen voorkomen. Zeeklei vormt de
Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, een gedeelte
van het vasteland van Noord- en Zuid-Holland en
den noordelijken rand van Friesland en Groningen.
Laagveen treft men aan in Noord- en Zuid-Holland,
in Utrecht, in den noordwestelijken hoek van Over-
ijsel en in Friesland, Groningen en Drente. Zeeklei
en laagveen liggen soms gelijk met, doorgaans bene-
den den gemiddelden stand der zee, als gevolg van
zakking van den bodem of droogmaking. Kleïbeddingen
langs rivieren en beekjes verheffen zich hooger, maar
nooit boven de gemiddelde hoogte van het stroomende
water, waarlangs de bedding ligt.
§ 17. Al deze van het oosten en zuiden langzaam
naar 't westen en noorden afdalende gronden zijn
door de duinrij van de zee afgescheiden. De duinrij
bestaat uit alluviaal zand, dat bij Haarlem en bij
Schoorl eene hoogte van omstreeks 50—60 M. bereikt.
Gemiddeld echter zijn de duinen slechts 12—15 M.
hoog. De oorspronkelijke rij lag veel verder zee in:
de wind namelijk jaagt het zand telkens oostwaarts,