Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
moerasveen, en ten tweede op vele plaatsen het di-
luviaansche zand door hoogveen bedekt wordt. Ten
westen van die lijn ligt nog een door alluvium om-
ringd eiland diluvium in het zuidwesten van Friesland
(Gaasterland) en een bij Vollenhove. Van het oosten
daalt de bodem in de richtingen naar west en noord
van 50 meter tot 1 meter boven A. P. De Veluwe
verbreekt evenwel deze helling: tusschen Arhem, Does-
burg, Apeldoorn en Epe verheft de bodem zich som-
tijds tot over de 100 meter (Imbosch 110 M.). Van
lienen tot Naarden strekt zich eene heuvelry uit, die
op sommige plaatsen eene hoogte van ruim 60 M.
bereikt. Tusschen deze heuvelrij en de Veluwsche
hoogten wordt de Geldersclie vallei gevonden.
In het grintdiluvium komen vaak keien van aan-
merkelijke grootte voor. Vooral vindt men ze in de
provincie Drente, waar ze op sommige plaatsen in
zoo grooten getale aanwezig zijn, dat men meent een
geplaveiden weg in plaats van eene woeste streek te
zien. Ook in Gelderland worden ze veel gevonden.
De steenen verschillen veel in grootte: er zijn ervan
20000 K.G., terwijl er ook voorkomen, die nauwelijks
de grootte van erwten hebben. Van de grootste maakten
onze voorouders de zoogenaamde hunnebedden. Deze
bestaan uit een krans rechtop geplaatste stukken, waar-
over een groote deksteen is gelegd. Men vindt er nog
vele in ons vaderland. De steenen, die aan de opper-
vlakte van den grond lagen, zijn grootendeels ver-
dwenen, doordien de bewoners ze gebruiken bij het
aanleggen van dijken en wegen, waartoe men ook het
f/rint (dat zijn de kleinere steentjes) bezigt. In het
diluvium komt hier en daar leem voor.
Zooals uit de wording van de gronden volgt, lig-