Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
jaar door haar afsterven den bodem met een laagje
vruchtbare aarde ophoogden en waarvan de overblijf-
selen eene sponsachtige massa vormden, die het water
in zich opzoog.
Door dat laatste werd er gelegenheid tot ontwik-
keling gegeven aan allerlei boomen, die echter steeds
in den ondergrond geworteld stonden en bleven leven,
zoolang zij genoeg toegang hadden tot de lucht. We
weten dan ook, dat er in vi'oeger tijd onafzienbare
bosschen in ons vaderland waren. Maar door den af-
val van bladeren en takken, door den groei van
kleine, schaduw en vochtigheid minnende planten, werd
de bodem steeds meer opgehoogd. Storm en misschien
ook boschbrand vernielden de boomen, die trouwens
anders toch zouden zijn verdwenen, daar ze in de
plantcnlaag verstikten. Hier vormde zich dus uit het
bosch ook een laag afgestorven, halfvergane planten,
die haar ontstaan echter niet aan water en water-
planten verschuldigd was en hoogveen genoemd wordt.
Het wordt eveneens tot turf afgegraven, welke echter
niet zoo fijn en vast van samenstelling is als die van
laagveen {lange en korte turf). De boomen zakten
wegens hunne zwaarte door het veen tot op den on-
dergrond, waar ze tegenwoordig als kienhout worden
gevonden. Ook in het laagveen treft men kienhout
aan, maar niet in zoo groote hoeveelheid en van an-
dere boomsoorten.
§ 13. De vorming van het alluvium gaat nog steeds
voort; maar alleen daar, waar de mensch die vor-
ming niet belet, hetgeen vooral op de zandgronden
het geval is (schapenteelt, plaggensteken, bezembinden,
veenbranden). Aanhoudende aanslibbing van onze kus-
ten is op vele plaatsen op te merken (Zeeuwsche