Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
lijk was, bijna afsloot, werd er langzamerhand op den
bodem eene sponsachtige massa van halfvergane plan-
tendeelen gevormd. Deze massa was door de wortels
der eerste planten in den grond bevestigd en bleef
daarom aanvankelijk op den bodem liggen, ofschoon
ze lichter was dan 't water en dus wilde drijven. Na
10 ä 15 jaar was de laag zoo dik geworden, dat de
verbinding met den bodem verbroken werd. Dan kwam
ze doorgaans naar boven en vormde een drijvend eiland,
waarop nu ook boomen (els en waterwilg) groeiden.
Zoodanige eilanden noemt men drijftülen; in Gronin-
gen heeten ze ladden, in Overijsel kraggen, in Holland
rietzodden. Tegenwoordig vindt men ze nog in de
omstreken van Giethoorn. Dat ze ten tijde der Ro-
meinen veelvuldig in ons land voorkwamen, kan men
opmaken uit hetgeen een Romeinsch geschiedschrijver
aangaande ons land vermeldt. Hij zegt:
»'t is geen land, maar 't drijft en hangt
»al wankelend op de wateren."
Deze eilanden werden nu door aangroei aan de
boven- zoowel als aan de benedenzijde hoe langer
hoe dikker en vulden eindelijk den geheelen plas. De
stof, waaruit zij bestaan en die dus gevormd is in
water door de afgestorven en halfvergane wortels,
stengels en bladeren van waterplanten, heet laagveen.
Men baggert die op om ze tot turf te laten drogen.
§ 12. Behalve dit veen, dat altijd onder of gelijk
met den waterspiegel ligt, was er intusschen nog een
ander soort veen gevormd. Op de zandgronden van
het diluvium was namelijk ook plantengroei ontstaan.
Daar groeiden eene menigte kleine planten, die elk