Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
{zand). Na verloop van jaren vormde dit aanhoudend
nederzakkende zand banken, die weldra op eenigen
afstand van de toemalige kust boven water uitstaken,
den naam (ininen kregen en achter zich eene van
de zee afgescheiden plas vormden, haf of sfrandmeer,
waarin het water tot rust kwam. Natuurlijk beletten
Kijn, Maas en Schelde de geheele afsluiting en braken
door de duinrij heen; maar voordat hun water door
de nieuw gevormde uitwegen stroomde, vermengde
het zich met het rustige water in het haf, en daar-
door bezonk hier voor een groot deel de opgeloste
leisteen en vormde kleibanken {rivierklei). Yeel van
de klei stroomde evenwel naar de zee; maar deze
wierp haar vaak weer door de openingen terug en
zoo ontstonden er kleibanken, waarvan de grondstof
door 't zeewater eenigszins was gewijzigd {zeeklei).
Dezelfde grondstof ontstond, als het zeewater bij vloed
in het haf drong, de zich daar bevindende rivierklei
van aard veranderde en in zeeklei omzette.
§ 11. Zoo spoedig de grond nu en dan door de
onophoudelijke bezinking van de aangevoerde stoffen
droog begon te liggen, kwam de plantengroei er bij
om de gesteldheid van den bodem te wijzigen. De
zaden van de gewassen werden door eene menigte
vogels aangevoerd, terwijl zeer waarschijnlijk ook het
rivierwater vaak zaad en doorgaans losgerukte plan-
ten uit hoogere oorden aanbracht. Zoodoende groeiden
er al spoedig verschillende waterplanten. Hare wortels,
strengels, bladeren, enz. verrotten elk jaar en hoog-
den den bodem van den waterplas op, waardoor deze
overdekt werd met eene plantaardige laag, waarin
weer nieuwe gewassen groeiden. Daar echter het wa-
ter de lucht, die tot de geheele verrotting onontbeer-