Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Auteur: Boeser, J.C.; Neck, D.C. van
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1892
Nijmegen: P.A. Geurts
7e dr; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1878
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200021
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Nederland en zijne bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
op de plek, die thans Nederland heet. Ook het kli-
maat was toen anders dan nu; het land lag geheel
onder ijs en sneeuw begraven. Uit Scandinavië en
van het zuiden daalden groote stroomen ijs en sneeuw
(gletschers genoemd; men treft ze thans nog in vele
landen, bijvoorbeeld in Zwitserland, aan) naar deze
streken af. Die gletschers voerden veel fijngewreven
en verweerde steensoorten (zand en leem), maar ook
grootere steenen mede en daar het ijs hier wegdooide,
bleef die medegevoerde last hier liggen. Zoo werd
langzamerhand het land ten koste van de zee uitge-
breid en verplaatste de kust zich naar 't westen. De
grond, die op deze wijze door gletschers is aange-
voerd, wordt dilnviniii genoemd. Door de werking van
het water zijn later de fijnere deelen (zand) van de
grovere (grint) gescheiden en aan den voet van deze
laatsten neergelegd. Men onderscheidt daarom grint-
en zanddiluvium.
§. 10. Alles, wat daarna gevormd is, noemt men
alluviiim, welk woord aanslibbing beduidt. De voor-
name oorzaak voor de vorming van het diluvium, de
koude in Europa, was namelijk niet van blijvenden
aard, maar maakte weldra (dat beduidt hier na vele
eeuwen) plaats voor eene warmere luchtsgesteldheid.
Toen stroomden lijjn, Maas en Schelde als water-
stroomen naar zee. Maar in dat water was nog eene
groote hoeveelheid veriveerden, afgescheurden en opge-
losten bergsteen. De Rijn voert tegenwoordig nog elk
jaar 12 millioen M^. slib over onze grenzen. Dit me-
degevoerde werd zoo ver in zee gesleept, tot de zee-
strooming aan onze kust (Kanaalstroom) het rivier-
water tegenhield. De daardoor ontstane stilstand
bevorderde het bezinken van de zwaardere deelen