Boekgegevens
Titel: Levensschetsen van vaderlandsche mannen en vrouwen: een schoolboek
Deel: 1e stukje
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Haarlem: Wed. A. Loosjes Pz., 1837
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
12e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 27 : 12e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200019
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Levensschetsen van vaderlandsche mannen en vrouwen: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
4,^4 LEVENSBIJZONDERHEDEN VAN
„ water; maar ben ik vrij, zoo fchenk mij wijn/' Deze
rustiglieid van onzen ronden^eeuw verrukte den Fransch-
man zoodanig, dat liij lietn met een glas wijn geluk o^
zijne reis wenschte, en dus vrij liet varen. Leer daaruit,
mijn kind I nooit, Indien gij doet hetgene gij behoort te
doen, ongerust of beteuterd te zijn; want men redt
zich door eene befcheidene vrijmoedigheid dikwijls uit
die bekommering en gevaren, waarin de bloohartigen
omkomen. Hiermede prijs ik u nu de onbefcheidene en
onbefchaamde vrijpostigheid niet aan, die (laat aan oude
menfcheii, en bovenal aan kinderen, zeer lee'ijk.
DERTIENDE LES.
Z. Ei, Vader! weet^ gij nog niet wat van de Ruijter?
E. Gelijk ik u zeide, heel veel nog ; maar gij zijt niet
jn ftaat, om meer dan dit duidelijk te begrijpen, en wij na-
deren ook al mooi ons huis. Ik kan nog wel zoo het een
en ander hier bijvoegen, totdat wij aan huis zijn, maar dan
hebt gij ook waarlijk genoeg voor éénen middag. Al
liep zijn leven groot gevaar, hij bleef toch dezelfde,
altijd even bedaard. Toen in een' zeeflag zijn fchoon-
jtooli van Gelder , een Kapitein , die met hem in hetzelfde
graf ligt, fneuvelde, en hij er de tijding van kreeg na den
flag , zeide hij: „ Ik weet , dat dit de vruchten van den oor-
„ log zijn; ik weet, dat ik mij aan Gods wil moet onder-
„ werpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijne
„ beurt; morgen zal het mischien de mijne zijn." En toen
hij eindelijk zelf in een zeegevecht zoo deerlijk gekwetst
was, dat hij er eenige dagen naderhand aan ftierf, ftelde hij ,
{e bed gebragt zijnde, nog orde op alle zaken van den (lag,
fii jeide telkens, als hij het gefchut hoorde losfen :
« Houdt