Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 73 ) I
In dien fusschentigd werden wij gedoopt, en door inge-
ving van den Heiligen Geest bad ik nergens anders om,
dan om standvastigheid in het lijden. Kort daarna bragt
men ons naar de gevangenis: ik werd zeer verslagen,
toen ik daar inkwam; want ik had nooit dergelijke
plaatsen gezien. Welke lastige dag! welke benaauwde
hitte! men verstikte er door het gedrang: hierbg kwam
de onbeschoftheid der soldaten, die ons bewaakten. Maar
hetgene, wat mij het meeste verlegen maakte, was, dat
ik mijn kind niet bij mij had. Eindelijk bragt men het
bij mij, en twee Diakenen Festinus en Pomponus ver-
kregen door geld, dat men ons voor eenige uren op
eene minder ongemakkelijke plaats bragt. Ieder een was
bedacht op hetgene , wat hem het naaste aan het hart
ging: ik voor mij, ik haaste mg nergens meer om, dan
om aan mijn kind, hetwelk van honger stierf, de borst
fe geven. Ik beval het nadrukkelijk mgner moeder aan ,
die mij was komen bezoeken. Ik was gevoelig getrof-
fen, dat ik om mijnent wil mgne familie in droefheid
zag; en deze gevoeligheid duurde eenige dagen; maar
zg ging daarna over, en de gevangenis zelve werd vooc
mij een aangenaam verblijf. Mijn broeder zeide mij eens:
gg hebt veel gunst bij God, bid Hem om u kenbaar tc
maken of gij ter dood zult gebragt worden, dan of men
u zal vrijlaten. Daar ik reeds Gods goedheid ondervon-
den had, beloofde ik mgnen broeder, om hem er dea
volgenden dag kennis yan fe geven. Inderdaad, nadat
ik gebeden had, zag ik eenen gouden ladder, die tot
aan den Hemel kwam, maar zoo eng, dat er niet meer
dan één persoon telkens konde opklimmen: hij was van
beide kanten vol met zwaarden, dolken en spiesen,,
zoo dat men zonder eeöe groote oplettendheid, en zon-
der gestadig naar boven te zien, er opklimmende, ze-
kerlijk over zgn gansche ligchaam zoude gekwetst wor-
den. Aan den voet yan den ladder lag een vreesselijke
draak, gereed om degene aan te vallen, die er opklom-
men. Saturvs was er opgeklommen, en van boven yan
I. Dfüx., 4