Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
f »9= )
koningen te vleijen, .toonden zij hun niet dan het voor-
deel aan, hetwelk uit de vernietiging der Kloosters zou
voortspruiten, om hunne vervallene Staatsinkomsten te
verbeteren; zij stelden hun het gezag der Kerk in het
hatelijkste daglicht voor, onder voorwendsel, dat dit ge-
zag het koninklijke gezag aanmerkelijk beperkte; dat de
geestelijke magt van den Taus en van de Kerk de tijde-
lijke magt der Koningen aan banden legde, en dat die
der Bisschoppen aan die van den Magistraat hinderlijk was.
Aan de Magistraatspersonen zeiden zij, om hen tot hun-
ne partg over te halen, dat zij van natuurswege de be.
waarders van de regten des volks waren, dat hun pligt
was een wakend oog. te houden op de uitoefening der
koninklijke magt, om haar binnen de palen van billgkf
heid te houden , om het onbepaalde geweld tegen te gaan.
Voornamelijk leerden zij bet volk, hoe hetzelve zich te
gedragen had, het zonder ophouden toeroepende, dat de
Souvereinen maar overweldigers, geweldenaars, tirannen,
of ten hoogste niets dan deszelfs zaakgelastigden waren,
dat hunne wetten niefs dan ketenen waren door het ge-
weld gesmeed; dat de oppermagt of Souvereiniteit het
eigendom des volks is, en dat het er de uitoefening van
wederom kan nemen, als het aan hetzelve goeddunkt.
Zij zongen den volken gestadig voor: Waarom zouden
wij een juk dragen, hetwelk de natuur ons niet heeft
opgelegd? Wat heblDen wij met Meesters te doen? die
Souvereinen, die Ministers, die Magistraten, zgn de ti-
rannen der vrijheid; wat regt hebben zij om ons in ke-
tenen te sluiten? VVaarom zouden zij meer dan wij zgn? f
Wij zgn menschen , zoo als zij; waaruit hebben zij regt
over ons? Het komt niet uit de natuur, het komt niet j
dan van onze zwakheid; het is een aangematigd regt. ,
Weg dan met al de tirannen onzer vrijheid!
Zij schaamden zich niet ora tot de kinderen te zeg-
gen, dat zij niet langer onder hunne ouders behoefden ,
te slaan, dan zij het noodig hadden; dat hunne ouders ]
. hen verzorgden , even als de rcdelooze dieren; dat zoor
dra dit ophoudt, de natuurlijke.band los is, de kinde-