Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 59 )
ea dit oordeel van den H. Stoel werd weldra algemeen
door de geheele Kerk aangenomen, en bijzonderlgk
in Franhrgk, waar de Bulle zonder tegenstand en bijna
zonder uitzondering uitdrukkelgk is aangenomen gewor-
den: alzoo zegepraalt het Geloof, gegrond op den steen,
dien de hel nooit zal overweldigen, altgd over de dwaling.
Deze vijf veroordeelde stellingen worden, wel is waar,
niet woord voor woord in het werk van Janseniüs ge-
vonden ; maar dit groote werk is zoo zeer bezwangerd
van de dwalingen, die deze stellingen behelzen, dat, om
ons van eene uitdrukking van eenen der grootste Kerk-
voogden van Frankrgk te bedienen, zoo-men het uit;
perste, en in eenen disteleerketel deed, er niet dan het
vergif van deze dwalingen uit zoude voortkomen. Deze
vgf stellingen behelzen het verkeerde stelsel van den
schrgver aangaande de genade, den vrijen wil, de ver-
diensten der goede werken, de weldaad der verlossing,
enz., stelsel, hetwelk men , volgens den Heer Beegieu
tot dit hoofdpunt kan brengen, te weten: dat na den
!j val van Adam, het vermaak de eenigste drijfveer is, die
ij het hart van den mensch beweegt; dat dit vermaak on»
ji vermijdelgk is als het komt, en onoyerwinbaar als het
ij gekomen is. Zoo dit vermaak van den hemel of van de
j genade komt, brengt het den mensch tot de deugd; zoo
! het van de natuur of van de begeerlijkheid komt, be-
I paalt het den mensch tot de ondeugd, en de wil wordt
j noodzakelijk medegesleept door een van die twee, die nu
werkelgk de sterkste is. Deze twee vermakelijke aan-
doeningen, zegt Janseniüs , zijn als de twee schalen van
eene balans, de eene kan niet naar boven gaan, zonder
dat de andere daalt. AUoo doet de mensch onweder-
staanbaar, hoewel vrijwillig, het goed of het kwaad,
naar mate hij door de genade of door de begeerlijkheid
b'eheerscht is; hij wederstaat dus nooit aan het eene of
aan het andere. Het is te verwonderen, dat dit stelsel,
hetwelk in zich niets aanlokkends heeft, hetwelk den
mensch tot een werktuig en God tot eenen tiran maakt,
hetwelk tegen het,^iwRndige gevoel yan alle measchea ,