Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
(. 129 )
doodzonden, zelfs, die maar door de gedachten begaan
worden, de menschen tot kinderen van gramschap erx
vijanden van God maken , is het noodzakelijk bij God
er de vergiffenis van te zoeken door eene volledige, op-
regte en schaamachtige belijdenis. Zij, die vrgwillig
eene of meerdere van die zonden verzwijgen, stellen
aan de goddelijke barmhartigheid ■ niets voor, wat door
den Priester kan vergeven worden; want indien de zieke
zich schaamt om zijne kwaal aan den geneesheer te open-
baren , zal deze met al zijne kunde niet kunnen genezen
hetgene waarvan hij geene kennis draagt. Men moet
bij de belijdenis ook de omstandigheden uitdrukken die
de soort der zonde veranderen, omdat de Priester anders
geene genoegzame kennis van de zonde kan hebben,
om regt over de zwaarheid der zonden te oordeelen, en
om aan de biechtelingen eene behoorlijke straf op te leg-
gen ; maar het is ook eene goddeloosheid van te zeggen,
dat de belijdenis, zoo als zij wordt bevolen, onmogelijk
is, van haar te beschouwen als eene pijnbank voor de
gewetens; want het is zeker, dat de Kerk niets anders
van de biechtelingen eischt, dan dat zij, na een zorg-
vuldig onderzoek, en na eene naauwkeurige navorsching
van het binnenste van hun geweten, al de doodzonden,
die zij zich aldus kunnen te binnen brengen, belijden.
De zonden, die alzoo den vlijtigen onderzoeker niet voor
j den geest, of, te binnen komen, worden gerekend in
j het algemeen begrepen te zijn in de belijdenis, die hij
j doet, en het is over deze zonden, dat wij in navolging
I van den Profeet met betrouwen zeggen: Zuiyer mg, u
S Heer! van mgne verborgene zonden. Men moet echter
) bekennen, dat de belijdenis, voornamelijk om de schaam-
ïte, die men heeft van zijne misdaden te openbaren, een
zwaar juk zoude kunnen schijnen, zoo het niet verlicht
, was door de groote voordeelen, en de vertroostingen,
die de absolutie, of, de kwijtschelding der zonden aan
al diegene verschaft, die met godsvrucht, en op eene
1 voor God waardige wijae tot dit H. Sacrament naderen,
'' 6