Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 128 ) \
CLXX VIII. HOOFDDEEL.
Leer der Kerkvergadering omtrent de belgdenis der zonden.
De algemeene Kerk heeft het altijd zoo verstaan, dat
de volkomene belijdenis der zonden een noodzakelijk ge-
volg van de instelling van het H. Sacrament der Biecht
is, dat zij ook door onzen Heer is ingesteld geworden,
en dat zij volgens het goddelijke regt noodzakelijk is
voor al degene, die na het H. Doopsel gevallen zijn:
want toen Jesus Curistus , ten hemel zou opklimmen,
heeft Hg de Priesters als zijne Plaatsbekleeders aange-
steld , om Regters te zijn, voor wie de Geloovigen al de
doodzonden, waarin zij zouden mogen gevallen zijn, zou-
den blootleggen, opdat de Priesters volgens de magt, die
zij ontvangen hebben om de zonden te vergeven of op
te houden, het vonnis zouden kunnen uitspreken; maar
het blgkt duidelijk, dat de Priesters deze magt nietzou'
den kunnen uitoefenen, zonder kennis van de zaak te
hebben, noch naar billgkbeid de strafFen er voor zouden
kunnen opleggen, zoo de biechtelingen hunne zonden
niet dan in het algemeen , en niet de soorten der zon-
den, en iedere zonde in het bijzonder biechtte; waar-
uit de Kerkvergadering besluit, dat de biechtelingen zich
van al de doodzonden, waaraan zij zich, na een naauw-
keurig onderzoek van hun geweten, schuldig kennen,
moeten aanklagen, al waren zij maar begaan tegen de
twee laatste van de tien geboden, waardoor de kwade
begeerten verboden worden; dewijl deze soorten van
zonden somwijlen gevaarlijker zijn, en de ziel doodelij-
ker kwetsen, dan de zonden die in het openbaar ge-
schieden. De dagelijksche zonden die ons de genade
Gods niet doen verliezen, en waarin wg meermalen val-
len , zijn niet begrepen in dit gebod van de noodzakelijke
belijdenis, omdat zij door vele andere middelen kunnen
uitgewlscht worden. Het is nogtans voordeelig, om die
ook in de Biecht te belijden, zoo als het de gewoonte
van godvruchtige menschen doet zien; maar daar al de