Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 196 )
verviel en verdoofde allengs; maar er werd uit hare asch
eene andere sekte geboren, die, hefgene, wat in de eer-
ste het hardste was, verzachtte, en die eenen middel-
weg insloeg tusschen de leer van Pelagius en het waar-
achtige Geloof. Eenige priesters van Marseille verbreid-
den dit verzachtte Pelagianen dom : men noemde hen//aZ-
ve-Pelagianen. Zg schreven het begin van het geloof,
en de eerste bewegingen van den wil der menschen tot
het goede aan den vrijen wil toe. Volgens hen, geeft
God ingevolge deze eerste werking den aanwas van het
geloof, en de genade om goede werken te doen. Alzoo
namen de Halve-Pelagianen, gelgk de Catholijken, de
erfzonde, en de noodzakelpheid van eene inwendige
genade om het goede te doen, aan; maar zij zeiden ,
dat de mensch deze genade kan verdienen door een be-
ginnend geloof, door eene eerste beweging tot de deugd,
waarvan God de gever niet is. De H. Augustinus stond
met kracht tegen deze gevaarlb'ke dwaling op, en ver-
volgde het Pelagianendom tot in zgne laatste verschan-
sing. Hij schreef over deze stof twee werken, waar-
in hij aantoont, dat niet alleen de aangroei, maar ook
het begin van het geloof eene gave Gods is, dat de eer-
.'te genade niet op onze verdiensten kan gegrond zgn,
en dat zg niet uit ons voortkomt. Hg brengt, om dit
te bewgzen, zeer vele plaatsen uit de H.Schrihbg, die
leeren, dat God het is, die den wil der menschen be-
reid maakt, en die hem tot het goede doet overslaan;
hg dringt aan op deze woorden van den Apostel: Wat
lieht gg, hetwelk gg niet heht ontvangen ? Woorden
die doen zien, dat de mensch de genade Gods noodig
heeft om het goede op eene ter zaligheid nuttige wgze
te beginnen en te voleinden; dat God de menschen niet
roept, omdat zg geloovigen zgn, maar omdat zg geloo-
vigen zouden worden. Hg doet opmerken, dat de Kerk
altgd door hare gebeden betuigd heeft, dat zij de gena-
de, van de goddelgke barmhartigheid, en niet als een
l'evolg onzer verdiensten verwack; en dat de genade
EOUde ophouden genade te zgn, zoo zg niet zonder onze