Boekgegevens
Titel: Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteur: Lhomond, Charles Francois; Maaseland, Adrianus van
Uitgave: 's Bosch: J.J. Arkesteyn, 1825
2e dr; 1e uitg.: 1822-1823
Opmerking: Vert. van: Histoire abrégée de l'église. - 1787
Dl. 2 o.d.t.: Kort begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-665
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200017
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: kerk- en dogmengeschiedenis: algemeen
Trefwoord: Kerk, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort-begrip der kerkelijke geschiedenis, van de Hemelvaart van Onzen Heer Jezus Christus, tot de wederkomst van paus Pius VII te Rome, in het jaar 1814
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 118 ) \
beenderen uit het lid raakten , en zijne leden bijna van
het ligchaam werden afgescheurd, In dien staat, ver-
scheurde men zijne zgden met ijzeren nagelen; zoo dat
men zijne ingewanden zien konde. Midden onder deze
wreede folteringen was de H. Martelaar vol vreugde. Zijn
onveranderlijk geduld en zijn vrolijk aangezigt maakten
den regter woedend; hij koelde zich aan de beulen, en
liet hen zelve slaan, opdat zij des te woedender zouden
worden. Men begon dan op nieuw om den II. Marte-
laar met meer hevigheid te pijnigen dan te voren: de
beulen waren huiten adem, zij lieten de armen van ver-
moeidheid zinken. De regter zelf, ziende het bloed van
alle kanten stroomen, en den ijsselijken staat van den
H. Martelaar, zonder dat hg te bewegen was, konde
niet ophouden zich te verwonderen, en begon te beken-
nen, dat hij overwonnen was. Hij deed de pijnigingen
staken, om nog eens den zachten weg te beproeven.
)) Zorg voor uw behoud," zeide hij tot den H. Diaken,
I) oll'er dtn goden, of ten minste geef mij de Schriften
der Christenen over." Vincentibs gaf hier op tot ant-
woord, dat hij minder bevreesd was voor de folteringen,
dan voor een valsch medelijden. Dacianis, woedender
dan ooit, deed den Martelaar op gzeren stangen, die zoo
puntig en scherp waren als eene zaag, en waaronder
gloeijende kolen lagen , uitgestrekt leggen ; ter zelfder
tijd leide men gloeijende platen op die deelen van zgn
ligchaam, die niet aan die scherpe stangen raakten; men
wierp zout op de wonden, en de zoutkorrels door de
hevigheid vau het vuur aangezet, drongen zeer diep in
het vleesch. Gedurende deze vreesselijke pgniging was
ViNCEKTiüs onbewegelijk, en zgne oogen waren naar
den Hemel opgeheven. Dacianus , in zijn voornemen
vergdeld, wist niet meer, hoe hij het zoude aanleggen,
en zond hem terug naar de gevangenis, met last om hem
op potscherven te leggen, en zijne >oeten tusschen span-
Iiouten te knellen , die zgne beenen zeer wijd van een
hielden. Maar God verliet zijnen Dienaar niet; er kwa-
men Engelen van den Hemel om hem te troosten, de H,