Boekgegevens
Titel: Nieuw zak-woordenboek der Nederduitsche en Engelsche talen = A new pocket-dictionary of the Englisch and Dutch languages
Auteur: Janson, Baldwin; Pijl, Rudolph van der
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1819
Nieuwe dr. ; 1e uitg. 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-444
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200016
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Engels, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw zak-woordenboek der Nederduitsche en Engelsche talen = A new pocket-dictionary of the Englisch and Dutch languages
Vorige scan Volgende scanScanned page
i
Ï06
kaa.
bone, jaw bone.
Kaakmes, hmfe to cut out
the gills of herring.
Kaal, adj. bald', een kaal hoM,
a haid head thread*
bare cloth; hij is zoo kaal als
eene rot, he is as poor as a
church-moufe.
Kaalachtig, aaj. fomewhat bald.
Kaalheid, f, baldnejs.
Kaalkop, m, bald-pate.
Kaam, f, mould.
Kaa-nacht g, adj, mouldy.
KAK.
zeekaart, n. fea map.
Kaas,/, cheefe; kaaskooper, m,
cheefe^monger ; kaasfchmir, f,
cheefe'dairy; kaasvlade, ƒ chee^
fe-cake; kaasvorm, /. cheefe^
yat; kaaswinkel, m, cheefe-
Kaasjeskruid, n, mallows.
Kaats , ƒ. chafe at tennis ; kaats-
baan , /. tennis' court; ka ts-
bal, m. tennis-ball; kaats»
net, n. racket; kaatsfpel, n,
tenniS'ploy.
Kaap, ƒ. cape, piomontoty; kaap,'Kaatfen, y. to play at tennis,
fl/j: ter kaap uitgerust, fi. ƒ tCaauw, vogel, f, jack •daw.
ted out for priyateering ; op de
kaap varen ^ to %o a priyaner
ing.
Kaar, f, ftjh-fond.
Kaard, wolkaard, f, card foi
wonl.
Kaars f. candle; de kaarsbrandï
duister, the candle burns fai*t.
cr dirn; eene kaars opfteken,
to light a candle; de kaars foui-
ten, to fn tiff the candle; eene
kaars nu doen, to extirguifh a
candle ; zijne kaars brandt inde
yijp, his candle wi/Äi«Kabelgat, n
or cüough
Kaauwen , y, to chaw, chew,
[Cabas, ƒ. hand-bafket.
Kabbelen, y* to moye up and down
as water.
Kabbeling, ƒ. the moying of -the
water,
Kabeljaauw, m, codfifh,
Kabel, m, cable; een kabel op-
fchieten, to coil a cable; kabel-
touw, n. cablC'Tope; kabelga^
ren, n, the cord of which cablcs
are twijied
J'ocket; kaarfenmaker, m^ cand
lefmaker , tallow • chandler ;
kaa^-skroon, f. branch'candle-
jlick; kaarfenlade, f. candle
box; kaarslcht, n. candle-light;
kaarspijpje, « fave-all; kaars
fmeer, n, tallow ,candle'greafe;
Icaarsfnuiter, m. pair of f nuf
fers.
Kaart, fpeelkaart, f, card; har*
ten, hearts; ruiten, diamonds;
klaveren , clubs; fchoppen ,
^ fpades; de boer, the knaye;
troef, trump; met de kaart
fpelen, to play at cards; de
Kabinet , n.
cahle-room,
cabinet; kabinet*
maker, m, cabinet-maker.
Kabinetsraad , m, the cabinet
council , priyy council.
Kabouter, m, brijk boy; kabou»
termannetjes, n, hob^gobblins.
Kade , f, fmall bank,
Kadijk, m, outward bank at thi
waterßde,
Kadraai, m, one that barters vic-
tuals for other commodities from
ßip men.
Kaf, n. chaf,
Kagchel, /, furnace to heat a
room.
kaarden verfch eten , to /ä«^«Kajuit, ƒ. the maßer^s cahbin ia
a flip; kajuitwacht«r, m. cab'
bin-boy.
Kakelaar, m, tattler.
the cards ; de kaarten uitge
ven to deal ihe cards; de kaar
ten afzetten, to cut the cards;
k^ar maker, m, ftfr^• »w^«/; Kakelarij, ƒ, tattling, idle chat.
kaarilpel. n. card^playing.
Kaart, landkaart, f, map^ eene
Kakelen,
cackle.
y. to tattley gabber.
imÊÊ