Boekgegevens
Titel: Nieuw zak-woordenboek der Nederduitsche en Engelsche talen = A new pocket-dictionary of the Englisch and Dutch languages
Auteur: Janson, Baldwin; Pijl, Rudolph van der
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1819
Nieuwe dr. ; 1e uitg. 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-444
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200016
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Engels, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw zak-woordenboek der Nederduitsche en Engelsche talen = A new pocket-dictionary of the Englisch and Dutch languages
Vorige scan Volgende scanScanned page
DOOi
DOO.

bed', fiown-hd»
Donsachtig, adf. /iownifl.
Dood , adf. dead, deceajed; dood
mensch» dood ligchaam, dead
body, corps; doode romp,
car cafe ; dood geraamte, fke-
Uton, doode ftroom , fiream
that hardly movfs; alfo % dying
trade; den ftroom dood zeilen,
to flem the tide» dood ftil . dead
flill; ter dood, of dood ge-
brand, burnt to death, dood
bed, deathbed; doodlijst,
bill of niirtality, dood
ceel, / burial-UJl.
Dood, f,y4eathr, doodbaar, f.
bier.
Doodelijk, adj. & adtf mortal, fa-
tal; eene doodelijke ziekte,
a mortal dife^fe; doodelijk ge
kwetst, mortally wounded.
Dooden, v. to kill, flay; zijne
lusten dooden, to mortify his
lufls.
Dooder, m. kilUr , flayer.
Dooding, ƒ. killing, jloying ;do9'
ding des vleefches, mortification
of the fléfn.
Doodgraver, m grave-digger.
Doodkist, A coffin.
Doodkleed, n. winding-fheet;
aljo, the pall.
Doodklok, ƒ paffing heli
Doodkrank, adj. fick to death
the dead; hij heeft de dood-
verw op zijn aangezigt, the
terror of death has feized upon
him; death is in his countenance.
Doodverwen , v, to make the firfl
draught with a pencil.
Doodvijand, m. mortal enemy.
Doodwaardig, adj. lijk, ady. vror"
thy of death.
Doodwond , ƒ. mortal wound.
Doodziek te , f mortal diflemper.
Doodzonde, ƒ mortal fin.
Doodzweet, n. cold»dyingfweat.
Doof, adj.deaf\ doof zijn, to be-
deaf; doof w rden, tc grow
deaf; doof maken, to deafen
to deaj ; hij is doof aan dat oor ,
he cartel near in that tar; doove-
man, deaf man; aan dedoove-
mans deur kloppen, to tell a
talet') one that is deaf, tofolliclt
invoin ; doove klank, dull found;
eene doove kool,.ö quenched
turf coal.
Doofachtig, adj. lijk, ady. deafifli.
Doofheid, denfnefs.
Doofpot, m. pot or kettle to extin-
guifh burning, coals.
Dooi, m. thaw; dooiweder,
thawi 'g weather.
Dooijen , 5». to thaw.
Doo jing , ƒ, thawing.
Dooijcr, van een ei, m. yolk of
an egg.
Doodfchulden ,/. for every Doo\hff, n. labyrinth.
tfiing belonging to the burial. Doolweg , m. wrong way ; iemand
Doodfchuldig; adj. capital, felo-
nious , criminal.
Doodsbeenderen, pi. dead hones.
Doodsch- adj. inanimate, dull.
Doodshoofd, f?, fkull.
Doodfchim , ƒ. jpeblre, ghofl.
D v^odftaan , v. to kill, flay.
Doodflag, zie moord.
Doodflager. zie moorder.
Doodsnood, m. mortal anguifh.
Doodfnik, m. the last gafp.
Do-»dfteken, v. to flab.
Doodfteek, m. mortal flah.
Doodftuipen, pangs of death.
Doodferw, fale colour oj
op eenen doolweg brengen, to
lead one aflray.
Djop, VI. chriftningf n. baptifm\
doopbekken , doopvat, n. bap*
tiflery , doopceel, f c^r r;*. J4e
ofachrifiening^ taken out of ihe
church book ; doopheffer, ir.
god faiher, doopheffter,/'. god»
mother, doopkleed, n dooplu>
jer, m, child's mantle, chrifom^
cloth; doopnaam, m. chrifli'
an mme, doopsgezinde, ena^
hapiifl; doopvont, f font ^
biptiflcty; doop, fans , f. fau'
ce; b0WJ>d00P, butter'fauce ^
C 7