Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
De lustige Jager. . 61
En dronken 't menschenbloed,
Helaas! wie zou niet weenen.
Maar wat een groote rouw,
Men nog gebeuren zag,
Dewijl ook Jan de Blaauw,
Zich zelf had omgebracht,
'Die man bracht zich zoo waar,
Uit wanhoop om het leven,
Omdat hij Gods gebod.
Zoo zwaar had overdreven.
Hij had zoo groot berouw, *
En sprong toen over bojd.
Zoodat hij in den grond.
Door 't water werd gesmoord
Men vischt hem daar weer uit.
Al bij het schip verheven
En .deelt zijn vleesch voorwaar,
En overal gegeven.
Zij wrongen de handen daar
'En trokken 't haar uit 't hoofd,
Wat schrikkelijk gevaar.
Och, vrienden! vrij geloofd,
Men zag geen land noch zand,
Niets als de woeste baren.
Och, flemels groote Heer, ^
tielp ons uit deez' bezwaren.
Toen zag men Godes gunst,
En Zijn genade goed,
Een sterke groote wind,
Meu hooge watervloed;
Twee Visioenen meê.
Als engelen verheven,
Die hielpen ons van daar
Toen zijn wij weggedreven.