Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
De lustige Jager. . 59
Ik heb tot ons behoef
Daar nog een deel tabak;
Daarmee behield men 't lijf,
Omtrent drie vier weken.
Daarna al met verdriet.
Drie honden opgegeten.
De honden waren op.
Nu waren wij bedroefd.
Men wrong de handen daar.
Men trok het haar uit 't hoofd;
De schipper kloek van aard,
Die sprak zoo menigwerven,
Kom smijt den dobbelsteen.
Wie onzer 't eerst zal sterven.
Al was het ook mijn beurt.
Ik ben ter dood bereid.
Een steenen hart dat treurt,
De schipper heett gezeid:
Kom werpt ze met de hand.
En dat al voor ons allen,
Opdat men zie wie 't lot.
Van ons zal overvallen.
't Viel op den boog bootsman.
Met droevige noodlot,
Hij stak zijn handen uit,
En riep zoozeer tot God:
Eet nu het vleesch van mijn.
Door hongersnood gedreven;
Mijn bloed tot eenen drank.
Ik wil het al u geven.
De leeraar zoo 't behoort,
Die nam hem bij de hand.
Hij heeft hem zoo getroost.
Och, och, blijft nog volstand,