Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
!54 De lustige Jager.
Slimmer dan de stoutste spreeuwen;
O een snood en olijk goed,
Waarvoor gij u wachten moet.
Vader! zei den jong gezel.
Laat mij bij die ganzen blijven.
Ik wil met die dieren wel.
Mijnen jongen tijd verdrijven.
Ik en vreeze geen verdriet.
Zij en zijn zoo gruwzaam niet.
De man voelde geene grond.
Dacht nu wat zal dit beduiden,
'k Meende, zei hij binnen 's monds,
't Kind kon niets dan groene kruiden,
Maar die lekker als hij is;
Kent meer als het groene lis.
Doch, de vader stiet hem voort.
En ging van de wegen treden;
't Kind in zijn gemoed gestoord,
Volgt hem na met trage schreden.
En zei: vader! kan het zijn,
Koop toch zulk een Gans voor mijn.
Mij dunkt 't waar mij een plaizier,
Als ik mogt een Gans genieten,
Al was 't als mijn le*en schier,
Het en zou mij niet veidrieten.
Vader! riep de onnoozela Huns,
Lieve! koopt mij loch etn Gaus.
Vader stond geheel verstomd.
En zei: och wat baten kluizen,
Al wat toch van katten komt,
Is zoo 't schijnt geneigd tot muizen,
En hoe naauw men jeugd besluit,
't schijnt zij wi\ er echter uit.