Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
? De'lustige Jager. 25>
Ik was getrouwd, mijnheer Portier!
Zoo sprak ook deze heer;
Maar mija Xantippe stierf mij af,
En spoedig huwde ik weer.
Wel foei! zei Petrus: gij niet hier,
Neen dwaashoofd! 't gaat niet aan.
De hemel is geen gekkenhuis,
Blijt gij maar buiten staan.
Bons bons, de deur ging dreunend digt.
De geest ging zuchtend voort;
En eerst een eeuw drie, vier er na;
Ontsloot men hem de poort.
Het Bloempje van de Hoop.
In des levens rampwoestijn,
Vrienden groeijen rozen,
Rozen die welriekend zijn,
Groeijen in den zonnenschijn,
IJloeijeu er en blozen.
Maar voorzigtig, dart'le hand!
Oie de bloem wil phikken.
Van de scherp gepunte plant,
Rijt een vlijmende angeltand,
U te valsch aan stukken.
Maar bedrogen, schoon hij slaag.
Wie de bloem mag rooven,
Naauw ontscheurd aan tronk of haag,
Ligt haar blos verplet van vaag,
Kn haar bloem verstorven.
Vrienden! och, de roos verbleekt,
En verlokt niet lang r;