Boekgegevens
Titel: Catechismus der muziek: inhoud en grondbeginselen der algemeene muziekleer
Auteur: Lobe, Joh. Chr.; Keuskamp, D.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: F.J. Weygand & comp, 1878
's Hage: Gebr. Giunta d'Albani
8e dr; 1e dr.: 1857
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6159
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200011
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: muziektheorie: algemeen
Trefwoord: Muziektheorie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Catechismus der muziek: inhoud en grondbeginselen der algemeene muziekleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
HOOFDSTUK XIII.
Over d.e maat (takt).
169. Wat verstaat men door maat?
De indeeling der op elkander volgende tonen in kleine,
aan elkander gelijke tijdruimten.
170. Hoe ivorden deze tijdruimten voor het oog duidelijk
gemaakt ?
Door loodrechte lijnen op de notenbalk, welke daarom
maatstrepen heeten. Tusschen twee zulke strepen ligt de
ruimte voor die tonen, welke eene maat vol maken.
Ëene maat.
171. Daar de maten onderling even groot moeten zijn,
zullen die strepen ook wel altijd evenver van elkander
geschreven worden ?
Dat is niet noodig, want de maatruimten kunnen met
zeer verschillende notenfiguren worden vol gemaakt. Men
kan b. v. eene maat met ééne enkele noot vol maken.
a.
en dan kunnen de maatstrepen zeer dicht bij elkander ge-
plaatst worden; maar men kan ook in plaats van deze
heele noot hare zestien zestiende deelen nederschrijven,

wanneer de maatstrepen dus veel verder van elkander
moeten afstaan. Die strepen zijn slechts daarvoor, om den
speler de bepaalde tijdruimte gemakkelijk te doen in het
oog vallen.