Boekgegevens
Titel: Catechismus der muziek: inhoud en grondbeginselen der algemeene muziekleer
Auteur: Lobe, Joh. Chr.; Keuskamp, D.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: F.J. Weygand & comp, 1878
's Hage: Gebr. Giunta d'Albani
8e dr; 1e dr.: 1857
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6159
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200011
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: muziektheorie: algemeen
Trefwoord: Muziektheorie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Catechismus der muziek: inhoud en grondbeginselen der algemeene muziekleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
beide, zonder tooneelmatig bijwerk worden uitgedrukt.
356. Wal is pene Serenade?
Eene avond- of nachtmuziek, die op de straat wordt
uitgevoerd onder de vensters van iemand, wien men daar-
door een bewijs van hulde brengen wil. Verscheidene in-
strumentale muziekstukken dragen ook dien naam, omdat
zij , zonder juist dezelfde bestemming te hebben, eendaar-
mede overeenkomstig zacht, liefelijk karakter hebben.
357. Wal is eene Nottiu-no ?
Hetzelfde als eene Serenade.
358. Wal verslaal men in de musiek door stijl?
Vooreerst de bijzondere wijze, waarop de geest van den
toondichter aan alle zijne werken, hoe verschillend die
onderling ook zijn mogen, een hem eigendommelijk karakter
mededeelt. In dezen zin onderscheidt zich b. v. Haydn's
stijl van Mozart's stijl, Mozart's stijl weder van dien van
Beethoven, enz. — Verder verstaat men door stijl in een
hoogeren zin, de overeenstemming tusschen de bewerking
en den aard van het onderwerp. In dit opzicht is de stgl
van "Don Juan- b. v. een geheel andere stijl dan die
der //Tooverfluit/', ofschoon beide scheppingen zijn van
Mozart's geest. Wanneer in de werken van een componist
eene zekere voorliefde blijkbaar is voor het aanwenden van
bijzondere vormen of hulpmiddelen , of dat daaruit eene
bijzondere beperkte wijze van opvatting merkbaar is, dan
noemt men dat zijne manier.
In een anderen zin brengt men alle muzikale kunstvormen
tot drieërlei stijl: de kerkstijl, kamerstijl en tooneelstijl,
of ook wel tot vrijen en strengen stijl, onder welken
laatsten men uitsluitend de kunstiger eontrapuntische vormen,
het bij voorkeur gebruiken van terughoudingen, van ver-
bindingen — van waar de benaming gebonden stijl —-
verstaat, die men als bijzonder noodwendig voor de "kerk-
muziek beschouwd wil hebben. Door dit bekrompen begrip
komen echter menigwerf droge kerkcompositiën, waarin
alle uitdrukking ontbreekt, te voorschijn , die , in plaats
van godsdienstige gewaarwordingen, verveling verwekken.
De echte kunstenaar zal elk onderwerp op eene gepaste
en waardige wijze behandelen, zonder zich om zulke ten