Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
C. Van hier af begint echter de invloed der Oostzee, die, zooals bekend
is, met haar vastlandklimaat en haar gering zoutgehalte spoedig dichtvriest.
Oostelijk Mecklenburg, Rügen, de streken langs de Oder tot Glogau en
de kuststreken van Pommeren —2—1° C.; zoo ook de Fläming. Van
Glogau af de Oder op, in Posen, op de Pommersche meervlakte en langs
de Weichsel vinden we in Januari eene temperatuur van —3—2°, behalve
op het hoogste gedeelte van den Pommerschen rug, waar de temp.—4—3°,
ja —5—4° (Thurmberg) bedraagt. Ten oosten van de Weichsel neemt de
Januari-temperatuur in strooken evenwijdig met de Oostzeekusten snel af:
—4—3°, —5—4° en in het uiterste oosten van Oost-Pruisen zelfs—-6—5°.
De Januari-temperaturen laten dus duidelijk zien, dat de Noordduitsche vlakte
een' overgang vormt tusschen de Benedenrijnsche en de Sarmatische vlakte
of tusschen de streken met een zeeklimaat en die met een vasriandklimaat.
Over 't geheel valt in het westelijk gedeelte der Noordduitsche vlakte
meer regen dan in het oostelijke. De kuststreek tot Meppen, voorbij Bre-
men en Hamburg, bijna geheel Sleesmjk en westelijk Holstein ontvangt
70—85 cM. jaarlijks. Oostelijk Holstein, zuidelijk Mecklenburg, de provincie
Saksen tot aan den Harz, en westelijk Brandenburg tot eene lijn Berlijn-
Wittenberg hebben 55—70 cM. regen jaarlijks; evenzoo de Pommersche
en de Pruisische rug. Oder- en Weichsel-gebied vallen evenwel grootendeels
in de rubriek van 40—55 cM.
In vlakke landen, zooals in de Noordduitsche vlakte, wordt de richting
van het verkeer niet door den vorm van den bodem bepaald, althans niet
in die mate, waarin dit in berglanden het geval is; die richting is daar
veeleer afhankelijk van de aanwezigheid van bevaarbare rivieren, havens,
vruchtbaar land en industriedistricten. De groote rivieren doorsnijden de
laagvlakte, zooals we gezien hebben, alle van 't ZO. naar 'tNW. De
groote steden zijn echter niet uitsluitend aan de rivieren ontstaan, en daar
zij natuurlijk de groote punten van aantrekking voor 't verkeer zijn gewor-
den , heeft zich een zeer samengesteld net van hoofdwegen ontwikkeld.
Toch zijn enkele dezer hoofdwegen zeer eenvoudig uit duidelijk sprekende
oorzaken af te leiden; wij vinden ze 't gemakkelijkst door de punten op
te zoeken, waar ze de vlakte binnentreden of verlaten.
De hoofdweg naar Rusland loopt evenwijdig met de Oostzeekust. Het
Warthedal en het Oderdal wijzen den hoofdweg aan naar Polen, Galicie
en Moravië, het Elbedal dien naar Bohemen en Saksen; het Thtlringsche
bekken is de natuurlijke verbinding met het Rijnland, terwijl het centrale
Zuid-Duitschland over Hof door de bocht van Leipzig met het laagland
in gemeenschap staat. Naar den Beneden-Rijn loopt de weg door de
Westfaalsche poort. Nu volgen aan de kust de havens Bremen, Hamburg,
Kiel, Ltïbeck, Straalsond, Stettin, Danzig, Koningsbergen. Wanneer deze
poorten met de binnenlandsche middelpunten Berlijn, Frankfort a/O.,
Leipzig, Maagdeburg, Brunswijk, Hannover worden verbonden, dan ver-
krijgt men de hoofdwegen en kruispunten van het verkeersnet.
De Noordduitsche laagvlakte wordt door Nederduitschers bewoond, met