Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
i7
weet men, dat ze ontstaan zijn door instorting van den bodem; andere
verraden zulk een' oorsprong door hun geheel voorkomen, in nog andere
heeft men verzonken bosschen en venen gevonden, en van vele vertelt het
volk, dat er steden en dorpen in zouden zijn verzwolgen.
Een tweede rug, die gedeeltelijk met den vorigen evenwijdig loopt, be-
gint met de Ltineburger heide, strekt zich tot het Elbedal bij Maagdeburg
uit, zet zich aan de overzijde voort als Fläming, dan verder oostelijk na
eene grootere tusschenruimte als het heuvelland van Sorau en Grtmeberg
en als de Trebnitzer bergen.
Tusschen deze beide ruggen strekt zich in het oosten de Posensche
vlakte uit; in het midden verheffen zich de kleine heuvelgroepen van
Spandau en Müncheberg bij Berlijn. De ruggen bestaan aan de oppervlakte
grootendeels uit diluviaal zand, en het woord waardoor deze hooge zand-
grond het meest wordt aangeduid, luidt „geest" of „geestland", terwijl de
vlakke, dikwijls alluviale bodem daartusschen naar zijn' aard „klei",
„marsch", „moor" of „schlik" genoemd wordt.
Merkwaardig is de richting der rivieren in de vlakke streken van Noord-
Duitschland ten zuiden van de meer-plateau's. De Noordduitsche rivieren
zoeken niet den kortsten weg van 't bergland naar de zee, maar zij stroo-
men in de hoofdrichting ZO—NW, en als zij deze verlaten, om zich naar
het noorden te wenden, dan geschiedt het gewoonlijk plotseling maar
slechts over een geringen afstand, om daarna weder de oude richting aan
te nemen. Bovendien bevindt zich op de plaats waar de afwijking naar het
noorden geschiedt, doorgaans eene laagte, waardoor eene andere rivier in
de richting ZO—NW. voortstroomt. Zoo vindt de Elbe bij Maagdeburg
hare voortzetting in de Aller, de Oder bij Frankfort eerst in de Spree en
vervolgens in de Elbe. Zijn ze echter eens den noordelijken rug binnen-
gedrongen , dan nemen zij de oude richting niet weder aan: de evenwijdige
lagen des bodems, waardoor de richting ZO—NW. wordt veroorzaakt,
schijnen zich verder noordelijk niet voort te zetten.
De oorzaak toch van den evenwijdigen loop der Noordduitsche rivieren
moet gezocht worden in de ligging der vaste gesteenten onder den dilu-
vialen bodem. Die vaste gesteenten loopen evenwijdig aan de naburige ge-
bergten ; hier en daar steken hunne randen tot boven het diluvium uit,
en zelfs waar dit niet het geval is, veroorzaakten zij golvingen in de opper-
vlakte van het diluvium, en deze moesten natuurlijk met den ongelijk
sterken tegenstand, dien zij het stroomende water boden, invloed hebben
op de richting der rivieren. Vandaar de vorm, dien de bodem heeft aan-
genomen : als 't ware ondiepe lengtedalen, die hier en daar door dwars-
dalen verbonden zijn. Men ziet de ligging van de lagen der vastere ge-
steenten als door den sluier heen van diluvialen bodem, die er over ligt
uitgebreid.
De Noordduitsche laagvlakte bestaat aan hare oppervlakte hoofdzakelijk
uit diluviale gronden, n.l. uit löss, leem, mergel, zand, grint en zwerf-
blokken. Op sommige plaatsen hebben zich daar op alluviale gronden ge-