Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
7fi
op weidenrijke hellingen. De eenvoudige woningen in 't gebergte en de
hooge dalen dragen den naam van „Bauden." Het zijn zoowel de „Senn-
hütten" als de „Hotels" van Zwitserland; voor het eerste doel zijn ze zeer
goed ingericht; als hotels voldoen ze natuurlijk slechts aan zeer bescheiden
eischen. Men onderscheidt zomer- en winter-bauden ; de eerste liggen ver-
strooid in de hoogere deelen van 't gebergte en worden alleen des zomers
bewoond, de laatste zijn het geheele jaar door bewoond en liggen meestal
in de dalen dorpsgewijze bij elkander.
Is in 't gebergte veeteelt en melkerij de hoofdbezigheid, in de dalen
houdt men zich meest bezig met spinnen en weven. Wordt de vlasbouw
ook alleen in de voorbergen en in de Sieben Gründe uitgeoefend en verder
in Bohemen, Silezië en Moravie, overal in de dalen vindt men vlasspin-
ners en wevers, wier vlijtige arbeid slechts een gering loon opbrengt.
Ongeveer de helft van alle bewoners van het Reuzengebergte zijn wevers.
Anderen vinden hun bestaan in bergwerken, ijzersmelterijen en glasblazerijen,
of zijn houthakkers en kolenbranders, vervaardigen speelgoed, keukengereed-
schap , muziekinstnimenten enz. In één opzicht komen bijna allen overeen,
n.l. hierin, dat ze arm zijn.
DE NOORDDUITSCHE LAAGVLAKTE EN HARE BEWONERS.
De Noordduitsche laagvlakte omvat al het Duitsche land ten noorden
van den voet der Sudeten, van Opper-Lausitz, het Ertsgebergte, den Harz,
het Wezergebergte, het Teutoburger woud en de leisteengebergten van den
Rijn; bovendien dringt ze nog dikwijls tusschen de gebergten in. Over
eene oppervlakte van meer dan 6000 □ mijlen verheft zij zich slechts
weinig boven den zeespiegel, daar de grootste hoogten nauwelijks eenige
honderden voeten bereiken. Eene onafgebrokene vlakte is zij echter niet,
daar er vlakke ruggen door loopen, die zich 300 tot 800 voet boven de
zee verheffen.
Eén dezer ruggen omgeeft als een groote boog de Oostzee onder de
namen van Sleeswijk-Holsteinschen, Mecklenburgschen, Pommerschen en
Pruisischen rag. Deze vlakke rug wordt door de dalen van de Eider, de
Stecknitz, de Oder en de Weichsel afgebroken, en in de bovengenoemde
afdeelingen gescheiden. Langs den zuidrand stroomen als door een lengte-
dal de Netze, de Spree, de Havel en de Elbe. Op den rug vinden ivij
eene menigte meren, waarom men ook wel van de Noordduitsche meer-
plateau's spreekt. Vele van deze meren zijn zeer diep, en het volksgeloof
houdt sommige voor onpeilbaar. Men heeft bij de diepste dier meren eerst
"P 4 ' 5"; 6-, ja 700 voet diepte den bodem gepeild. Van vele ervan