Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
de Groote en de Kleine Sturmhaube tot 1371 en 1369 M., de Mittagstein
tot 1416, de Reifträger tot 1307, de Hohe Rad tot 1356, de Brannberg
tot 1469 en de Kesselberg tot 1350 M.
Geen wonder, dat dit grootsche gebergte van oudsher een geweldigen
indruk op de bewoners heeft gemaakt, gelijk blijkt uit den naam dien de
oude Germanen er aan gaven; zij noemden het n.l. het Asengebergte, het
gebergte der reuzen, die het bewoonden en een langdurigen strijd met de
goden voerden. In den tegenwoordigen naam is de herinnering aan den
vroegeren nog bewaard; het kan echter ook zijn, dat de naam gegeven is
met het oog op den grootschen indruk, dien het maakt. Die indruk wordt
hoofdzakelijk veroorzaakt door de hoogte van den kam en de daarboven
uitstekende kruinen, de afwisseling van begroeide hellingen en kale toppen,
de steile hellingen, de scherpe kammen, de diepe kloven en donkere
afgronden, in 't kort door de grootsche afmetingen en de woeste vormen,
minder door de liefelijkheid en de schilderachtigheid van kleine partijen.
Het Reuzengebergte maakt als 't ware een' overgang uit van de overige
Duitsche middelgebergten tot de Alpen.
Wel bereikt het gebergte nergens de sneeuwgrens, maar toch duurt de
winter in de hoogste gedeelten a van het jaar, ter\vijl de zomer
het karakter van voorjaar draagt. De overgang tot den winter is snel; in
Septemter hebben dichte nevels zijne komst nauwelijks aangekondigd, ot
koude stormen strijken door 't gebergte, groote sneeuwmassa's vullen de
dalen en kloven en bedekken de hoogten en maken het verkeer moeilijk
en menigmaal onmogelijk. Die toestand duurt meer of minder gewijzigd
voort tot Mei. In Mei en Juni, als in de dalen en op de hellingen alles
groent en sommige planten bloeien, en als de hooge toppen die zich tot
in de wolken verheffen, nog met sneeuw zijn bedekt, dan is het Reuzen-
gebergte het schoonst; dan zijn de stroomen en beken het breedst en de
watervallen het krachtigst.
Evenals alle hooge bergtoppen zijn ook die van het Reuzengebergte
vaak in nevelen en wolken gehuld, zoodat het dan ook tot deregenrijkste
gedeelten van Duitschland behoort. Doordien de ruimte vaak met damp
verzadigd is, zuigen de hellingen en de kam veel water op, zoodat op
vele plaatsen moerassen zijn ontstaan, waaruit vele beken te voorschijn
komen. Ook de Elbe ontvangt haar water uit zulk eene moerassige gras-
en mosvlakte; later, op de „Elbwiese" wordt zij door verscheiden beekjes
aanzienlijk versterkt.
De „Elbwiese" verlaat zij met een prachtigen waterval, den „Elbfall"
(100 voet hoog) en stroomt vervolgens door den woesten „Elbgnmd" naar
het oosten, om zich met het Weisswasser, dat van de „Weisswiese" is
gekomen, te vereenigen en door een dwarsdal naar Sanct Peter of Spin-
delmühl te stroomen.
Op ongeveer iioo M. hoogte verdwijnen de wouden, en daarvoor in
de plaats treedt het kniehout of de dwergden (Pinus pumilio), welks stam
eerst o\'er den grond kruipt en zich dan opricht en eene hoogte van i,