Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
III. DaiTSOHLAWU.
LAND EN VOLK VAN OPPER- EN NEDER-BEIEREN.
Opper- en Neder-Beieren zijn in menig opzicht de merwaardigste pro-
vinciën van het koninkrijk Beieren. We zullen er ons toe bepalen de in-
vloeden aan te wijzen, waaronder de verdeeling der woonplaatsen hier staat.
Het noordelijke deel der Alpen strekt zich van het westen naar het
oosten in het zuiden van Opper-Beieren uit. In hoofdzakelijk dezelfde rich-
ting stroomt de Donau. Ongeveer van het zuiden naar het noorden loopen
de I.£ch, de Isar en de Inn, waardoor de hoogvlakte in deelen geschei-
den wordt.
De Lech is te allen tijde eene natuurlijke grens geweest. Door zijn woe-
sten stroom heeft hij zich een bed met steile oevers uitgeslepen en veel
grint en zand uit het gebergte meegevoerd, die als banken en eilanden zijn
bezonken. Waar in het laatste gedeelte van zijn' loop de oevers minder
hoog zijn, daar vinden we vaak een dorren of een moerassigen bodem.
Dezelfde eigenschappen heeft ook de Isar. Ook hier groot verval, steile
oevers, grintbanken en in den middelloop heidevelden en moerassen.
Hetzelfde karakter als deze twee vertoonen hier alle andere Alpenstroo-
men, zelfs de Inn, die overigens bevaarbaar is. De rivieren van Middel-
en Noord-Duitschland bieden overal een schouwspel van levendigheid en
beweging aan; de Beiersche Alpenstroomen daarentegen voeren de woest-
heid en de eenzaamheid van het hooggebergte tot ver in de vlakte op.
Terwijl bij rivieren met geringer verval plaats aan plaats ligt, zijn de
Zuidbeiersche stroomen eenzaam, omdat hunne oevers althans in den boven-
en middelloop bijna geheel ongeschikt zijn voor bewoning. Vandaar dan
ook in geheel Opper-Beieren het verschijnsel, dat de dorpen niet in de
laagten, maar dat ze hoog liggen, en de wegen dus ook niet, zooals bijna
overal elders, de dalen zoeken.
Ten gevolge van de helling des bodems ontvangen de Lech en de Isar
bijna uitsluitend van de linkerzijde toevoer van water door bijrivieren. De
Loisach en de Ammer behooren met den bovenloop van de Isar tot het
Alpengebied, en zoo woest is hier de natuur, dat de jager er stout de rotsen
beklimt, maar de herder er nauwelijks zijne kudden kan laten weiden. In
dit gebied vinden we ook de beide Alpenmeren, het Eil> en het Walchen-