Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
i .". au-ü
39
ben de verbindingen die rijk waren aan zuurstof en waterstof, grootendeels
vrijgemaakt en hebben daarentegen veel koolstof opgenomen. Door die
omzetting van bestanddeelen heeft zich steenkool gevormd, eene stof, die
in zooverre veel overeenkomst met turf vertoont, dat ze beide haar ont-
staan hebben te danken aan planten. Het verschil tusschen turf en steen-
kool bestaat hoofdzakelijk hierin, dat de eerste uit geheel andere planten
en in veel lateren tijd is gevormd dan de laatste. Een gevolg daarvan is,
dat steenkool eene veel grootere hoeveelheid koolstof bevat dan turf. Ge-
middeld bevat turf 60 gewichtsdeelen van de 100 aan koolstof, terwijl
steenkool er gemiddeld 83 bevat. Steenkool, die gemiddeld 93 gewichts-
deelen van de 100 aan koolstof bevat, noemt men anthraciet.— In zekeren
zin zijn dus de steenkolenbeddingen de veenlagen der voorwereld.
Steenkolen vinden we in Nederland slechts weinig, en, zooals bekend
is, alleen in Zuid-Limburg. Daar worden in de gemeente Kerkrade twee
steenkolenmijnen ontgonnen, die de namen dragen van Domaniale steen-
kolenmijnen en die van Neuprick.
De Domaniale mijnen zijn rijkseigendom en door het rijk met ingang
van II Mei 1846 voor een tijdvak van 99 jaren in beheer en gebruik af-
gestaan aan de Aken-Maastrichtsche-spoorwegmaatschappij. Daarvoor heeft
deze maatschappij op hare kosten een' spoorweg van Simpelveld tot aan
den hoofdzetel der Domaniale mijnen bij Kerkrade moeten aanleggen;
verder moet de maatschappij aan 's rijks schatkist jaarlijks zooveel uitkee-
ren, als de zuivere opbrengst der mijnen elk jaar meer bedraagt dan
f 60000, tot een bedrag van / 5000, en verder de helft van de zuivere
opbrengst boven de / 65000. Tevens werd bij deze overeenkomst nog de
bepaling gemaakt, dat jaarlijks uit de mijnen niet meer mogen worden
gedolven dan 45 millioen kilogram kolen; verder werden de prijzen vast-
gesteld, waarboven de steenkolen, zonder uitdrukkelijke toestemming der
regeering, niet mogen worden verkocht. Deze laatste bepaling is noch in
't belang van den staat, noch in dat van de maatschappij, want eene
vooruitbepaling van den hoogsten prijs over eene lange reeks van jaren is
eene ongerijmdheid. Na een tijdsverloop van 99 jaren keeren de mijnen
aan den staat terug, met alle gebouwen, werktuigen, met den aangelegden
zijtak aan den spoorweg etc.
De Domaniale mijnen beslaan eene oppervlakte van 506 hectaren, waar-
van 333 hectaren op Nederlandsch en 173 hectaren op Pruisisch gebied.
Het land aan de oppervlakte behoort evenwel niet aan de mijnen, maar
aan verschillende eigenaars; men heeft hier dus een tweeledigen eigendom:
een van de oppervlakte en een van de mineralen onder die oppervlakte
gelegen. Dat een gedeelte van het mijnveld der Domaniale mijnen onder
Pruisisch gebied ligt, heeft daarin zijn' grond, dat vóór 1816 de grenzen
tusschen Pruisen en Nederland anders liepen dan nu. Bij het grenstractaat
van 26 Juni 1816 werd evenwel bepaald, dat uit de wijziging der land-
grenzen geene verandering voor de Domaniale mijnen zou kunnen voort-
vloeien. Reeds vroeg werd dit mijnveld ontgonnen, maar vooral sedert 1853