Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
BEEKBEZINKING EN IJZEROER IN NEDERLAND.
Aan metalen is onze bodem arm, en dit behoeft geene verwondering te
wekken, daar we weten, dat die bijna uitsluitend in oudere formaties voor-
komen, welke in Nederland niet dan bij uitzondering zich aan de opper-
vlakte vertoonen.
Toch vinden we ijzer in onzen bodem, en nogal in aanzienlijke hoe-
veelheid , n. 1. in de groengronden of beekbezinkingen. Dit zijn gronden,
die uit en aan weerszijden van de kleine rivieren en beekjes te midden
van den zandgrond zijn bezonken. In Friesland en Groningen, in Zeeland
en de beide Hollanden wordt deze grondsoort niet aangetroffen, in Drente
alleen in 't zuidoosten, waar de lage weilanden rondom Koevorden uit
groengronden bestaan. De Veluwe bezit evenmin groengronden als de
Geldersche Vallei. Dat deze gronden niet overal langs de kleine rivieren
worden aangetroffen, laat zich gemakkelijk verklaren. De groengronden
toch bestaan uit klei of uit kleihoudend zand, dat door de beken is mee-
gevoerd uit de streken waar zij ontspringen. Nu kunnen alleen die riviertjes
klei afzetten, die in streken ontspringen waar klei aanwezig is, of tertiaire
leem, of althans diluvium, dat leem bevat. De Groningsche en Friesche
en ook bijna alle Drentsche stroompjes ontspringen uit venen, de beken
op de Veluwe etc. komen van een diluvialen grond, die geen of althans
zeer weinig klei en leem bevat; bovendien hebben de Veluwsche beken
meestal slechts een korten loop, veel verval en hooge oevers. Holland en
Zeeland zijn de provinciën van de groote riviermonden.
De groengronden werden om hunne vruchtbaarheid en hunne lage lig-
ging bijna uitsluitend voor de veeteelt gebruikt; sedert men echter beter
voor den waterafvoer is begonnen te zorgen en sommige groengronden
niet meer aan jaarlijksche overstroomingen zijn blootgesteld, heeft men er
hier en daar bouwland van gemaakt.
Zooals reeds werd gezegd, wordt het ijzeroer vooral in de groengronden
aangetroffen. Ook dat heeft zijne oorzaak.
Oer is een mengsel van ijzer en zand, dat in lagen dicht onder de opper-
vlakte in onze zandgronden voorkomt. Is de hoeveelheid ijzer gering, dan
spreekt men van zandoer; is zij echter zoo groot, dat het de moeite waard
is om het ijzer te smelten, dan noemt men het ijzeroer.
Ijzer komt in nagenoeg al onze zand- en kleigronden voor. Door het
ijzer worden de kwartskorreltjes, het hoofdbestanddeel der zandgronden,
geel of bruin gekleurd. Het ijzer komt in die gronden voor in verbinding
met zuurstof, als ijzeroxyde. Waar vele plantenwortels in den grond ver-
rotten, ontneemt het verrottingsproces aan het ijzeroxyde een gedeelte van
zijne zuurstof en doet het worden tot ijzeroxydule, dat in koolzuurhoudend