Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
wij het nu nog langs onze hedendaagsche stranden waarnemen. Een en
ander kon echter niet geschieden, zonder dat vele der teedere kalkhulsels
door het geweld der zee gebroken en vergruisd werden. Hierbij voegde
zich nog de omstandigheid, dat eenige der in die zee levende dieren
andere verslonden, wier kalkschalen daardoor verbrijzeld en als een fijn
poeder weder ontlast werden.
Zoo kunnen wij ons eene in hoofdtrekken voorzeker tamelijk juiste voor-
stelling vormen van het ontstaan der krijtlagen in het algemeen, eene voor-
stelling, die zich aansluit bij hetgeen nog heden ten dage in den omtrek
van vele eilanden der heete luchtstreek geschiedt. Het fijnere witte krijt
draagt den stempel van gevormd te zijn uit allengs in zee bezonken lagen,
die op de diepte, waar zij ontstonden, weinig aan het geweld der golven
waren blootgesteld. Daarvoor getuigen ook de in regelmatige banken ge-
legen vuursteenen, welke meerendeels niets anders zijn dan verkiezelde
zeesponsen, te midden waarvan echter dik%vijls nog de schalen van week-
dieren, zeeëgels enz. zijn opgesloten. Het tufkrijt is daarentegen grooten-
deels eene strandvorming, ontstaan voor het grootste deel uit de verbrijzelde
kalkhulsels van betrekkelijk grootere dierlijke wezens, terwijl het witte krijt
grootendeels uit overblijfsels van foraminiferen, microscopisch kleine wezens,
bestaat. Daar de vorming van het tufkrijt op zulke plaatsen geschiedde,
welke zich althans gedurende den vloed nog onder water bevonden, zoo
wordt daaruit ook de samenstelling van het tufkrijt uit zeer dunne laagjes
verklaard. Elk dier laagjes kan als een tijdens de eb achtergebleven neder-
zetsel worden beschouwd.
Een strand kan echter nooit hooger boven het zeevlak verrijzen, dan
tot het door de golven nog bereikte peil. Een lage wal kan weliswaar ont-
staan uit het door de zee opgeworpen gruis en grootere steenblokken, die
bij stormweder door de golven worden voortgestuwd, of, indien zand den
oever bedekt, kan dit, droog geworden, door den wind worden opge-
dreven en zoo eene duinenrij doen ontstaan; op die wijze kan echter on-
mogelijk rekenschap worden gegeven van de aanmerkelijke hoogte boven
het zeevlak van den St.-Pietersberg en van andere naburige heuvels.
De hier en. daar verbroken samenhang van sommige lagen en de niet
meer horizontale ligging der lagen van den St.-Pietersberg, waar duidelijk
eene flauwe helling van het zuidoosten naar het noordwesten is waar te ne-
men , wijzen op eene langzame opheffing van den geheelen bodem, zooals
wij ze nog heden ten dage aan de Zweedsche kust kunnen waarnemen.
Met die opheffing ging echter noodzakelijk een ander verschijnsel hand aan
hand, n. 1. het ontstaan van grootere en kleinere waterstroomen, die, van
de zuidwaarts gelegen, mede in de opheffing deelende gebergten afdalende,
zich eenen weg baanden door dit gesteente, dit uitschuurden en zoo de
dalen vormden, waardoor thans de Maas, de Jeker en de Geul vloeien.
Ten deele werden later de krijtformaties door tertiaire en quartaire ge-
steenten overdekt.