Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
keien ontmoet, dan kunnen deze in de draaiende beweging worden mede-
gesleept en zoo medewerken tot uitschuring van den onderliggenden bodem,
zooals het geval is met de bovengenoemde reuzenketels, op welker bodem
men meestal nog de kei vindt. Misschien heeft bij de aardpijpen de door-
sijpeling van koolzuurhoudend water, dat oplossend zoowel als wegvoerend
werkte, medegeholpen.
Natuurlijk kon de vorming van de aardpijpen door stroomend water
slechts plaats hebben, toen de bodem, waar zij zich thans bevinden, voor
zee- of rivierwater toegankelijk was. Trouwens, dat dit geheele terrein,
met name de verdeeling van land en water, menigvuldige en groote ver-
anderingen heeft ondergaan, wordt het best bewezen door de versteeningen,
die in het tufkrijt worden aangetroffen en alle behooren aan dieren, welke
in de zee geleefd hebben. Weinig plekken op aarde leveren den beoefe-
naars der palaeontologie een rijkeren schat. Eene beschouwing van de
menigte voorwereldlijke dieren, die men geheel of gedeeltelijk in versteen-
den toestand in het Maastrichtsche tufkrijt heeft gevonden, is hier niet op
hare plaats. Slechts enkele namen van dieren en afdeelingen zullen hier
worden genoemd. Zoo heeft men er eene menigte plaatkieuwige weekdieren,
zeeëgels, nautilussen, koralen, zeeschildpadden en den mosasaurus (= de
maas-hagedis, een reusachtig dier van omstreeks 8 meter lengte) in gevonden.
Werpen we nu ten slotte nog een' blik op de geschiedenis van den
bodem dezer streken gedurende de krijtperiode, zooals het onderzoek van
dien bodem, de vergelijking daarvan met andere streken en de studie der
fossiele dieren en planten die aan het licht heeft gebracht. Eene groote zee
overdekte toen het grootste gedeelte Van Noord-Duitschland, Denemarken,
ons vaderland, België en een gedeelte van Noord-Frankrijk. Hier en daar
verrezen daaruit eenige grootere en kleinere eilanden; sommige daarvan
vormden eene meer samenhangende rij, andere waren meer verstrooid.
Zulk eene meer samenhangende rij vormden o. a. de reeds toen bestaande
hoogten langs de Ruhr, bij Aken, Luik, tot in Henegouwen. Zij waren
de zuidelijke en oostelijke stranden van het bekken, waarin zich de lagen
afzetten, die tot de krijtformatie van Limburg en aangrenzende streken be-
hooren. Welke eene verbazend lange tijdruimte er noOdig is geweest om
die lagen te doen ontstaan, kan men eenigermate daaruit opmaken, dat
de gezamenlijke dikte van al de lagen der krijtformatie op meer dan 3000
meter wordt geschat. Dat gedeelte dier lagen, hetwelk uit koolzure kalk
bestaat, is geheel als het werk van dieren te beschouwen. De in het zee-
water opgeloste koolzure kalk werd daaruit opgenomen door tallooze week-
dieren, echinodermen, polypen, foraminiferen; zij werd tot een vast be-
standdeel hunner lichamen, om later, na den dood der dieren, tot een
bestanddeel des bodems te worden. Die bodem werd allengs opgehoogd
door de daarop bezinkende overblijfsels van zulke dieren, welke op eenigen
afstand van het strand leven, terwijl anderen, die zich meer in de nabij-
heid daarvan ophielden, of wier schalen op het water drijven, met den
vloed op dit strand werden geworpen en daar op achterbleven, evenals
p. R. BOS, Globe. 3