Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
'436
eene constitutie te geven en daarmee niet al te wel te recht kon komen.
De hoofdstad Levoeka ligt op het eiland Ovalaoe. Voor enkele jaren nog
behoorden de bewoners der Fidsji-eilanden tot de' ergste menscheneters.
Op het eiland Kandavoe zag Dr. Büchner het eerst Fidsji-eilanders. Het
waren flink gebouwde, sterke, soms schilderachtige gestalten. Weliswaar
was hun gelaat, wanneer zij gedachtenloos voor zich uit staarden en daarbij
soms den mond openhielden, allesbehalve mooi; maar de levendigheid
hunner trekken, het schitteren der donkere oogen en de glans hunner witte
tanden maakte hen, wanneer zij spraken en lachten, des te aantrekkelijker.
Vooral was dit het geval bij de vrouwen, waarvan er echter weinige op
het strand kwamen.
Die bruine menschen hadden zich met allerlei dingen opgesierd. Ringen,
uit groote slakken geslepen, omspanden de gewrichten der handen, ring-
vormig gebogen hertz wij ntanden van verder westwaarts liggende eilanden-
groepen aangevoerd, hingen hun aan linten om den hals, evenals verschei-
den snoeren van zeer kleine gekleurde glasparels, die in smaakvolle figuren
aan snoeren waren geregen, waarin men als in een das aan de voorzijde
van den hals een knoop had geslagen. Velen droegen een doek als een
tulband om het hoofd gewonden, en daarvan maakten zij, bij gebrek aan
kleedingstukken met zakken, gébruik om er geld in te bewaren. De tabak
droegen ze evenals de Maori's op Nieuw-Zeeland in de doorboorde oor-
lellen. Bij sommigen waren die oorlellen zoo gerekt, dat ze tot de schou-
ders neerhingen en men de vijf vingers er te gelijk wel 3 centimeter kon
door steken. Pijpen rooken ze niet dan bij uitzondering, daarentegen wel
eene soort van cigarette, die ze uit fijn geplukte tabak maken, welke ze in
een stuk droog banaanblad wikkelen. Zulk eene cigarette heet „zoeloeka".
„Zoeloe" noemen zij het stuk katoenen stof, dat zij om de heupen wik-
kelen. De oorlellen waren versierd met stukjes blik, metalen knoppen,
metaaldraad, in 't kort met alles wat ze maar konden krijgen. Er was één,
die aan zijne oorlel een gewonen horlogesleutel met een zwarten draad
had vastgebonden. Sommigen die geen tabak bezaten, hadden het gat in
de oorlellen met gekrulde spanen uit de werkplaats van een blanken tim-
merman gevuld. Krullen en spaanders waren ook door sommigen in den
tulband vastgestoken; anderen hadden de voorkeur gegeven aan bladeren,
die het voorhoofd beschaduwden.
Bijzonder trok de kleur van het haar der inboorlingen de aandacht van
onzen reiziger. Men zou bij zulke donkerkleurige menschen zwarte haren
hebben verwacht; doch bijna allen hadden een bruinen, velen een bruin-
rooden, sommigen zelfs een rooden haarbos met een goudblonden glans,
wat bij de chocolade-kleur der glanzige huid wel niet slecht, maar toch
zeer ongewoon staat. Hij vernam echter, dat deze haarkleur het gevolg is
van een gebruik, 't welk hierin bestaat, dat zij nu en dan het haar met
kalkbrij besmeeren, met het tweeledige doel om aan de mode te voldoen
en om het talrijke ongedierte te dooden. Sommigen hadden nog stukjes
kalk in de haren zitten.