Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
'434
komt hij door steeds dichter bij elkander staande omheiningen, die
niet meer schapen, maar paarden en koeien omsluiten, om dan in een
grooten hof met pluimvee en eindelijk tegen den avond aan het station
te arriveeren. Hij wendt zijne schreden nu dadelijk naar de keuken, die
zich gewoonlijk in een afzonderlijk huisje bevindt, dat den zwerver zeer
goed bekend is. Een glas thee, welk vocht altijd gereed staat, en een stuk
brood zijn voldoende om in de eerste behoeften te voorzien en den maal-
tijd af te wachten, waarbij vleesch, thee, brood, soms ook pudding, wor-
den opgediend. Nu is het: „help yourself!" Kort voor zonsondergang ver-
zoekt de gast om nachtverblijf, dat hem dadelijk wordt toegestaan. Hij
wordt naar een „shed" gebracht, d.i. een gebouw, waarin vele slaapplaat-
sen zijn. Daar het hier des winters niet vriest, — hoogstens komen er
nachtvorsten voor, — heeft hij geen last van de koude. De volgende
dag is gelijk aan den vorigen, en zoo gaat de winter voor den zwerver
voorbij, 't Gebeurt vaak, dat er wel tien zulke gasten aan eene tafel in
het station zitten, en allen worden verzadigd. Het eenige wolkje aan den
levenshorizont van den „traveller" is de groote afstand van het eene sta-
tion tot het andere en het gebrek aan goede wegen. Een gevolg hiervan
is, dat honderden in de steppe verdwalen en omkomen. Het is verschrik-
kelijk, in deze wildernis alleen te zijn en door de struiken te dringen bij
het zwakke maanlicht. Ik zelf, verhaalt onze emigrant, verkeerde eenige
malen in gevaar van in de eindelooze steppe om te komen; vooral was
dit het geval, toen ik den vorigen winter genoodzaakt was, naar eene
andere landstreek te gaan en langs den oever van den Murray te trekken.
Duizend Engelsche mijlen legde ik langs deze groote rivier af, aan wel-
ker oevers eene onuitsprekelijke, eene echt Australische somberheid heerscht.
Het geelachtige water stroomt stil voort; sedert duizend jaren vergaande
gomboomen zien troosteloos in dit water neer, dat te troebel is om hun
beeld te weerkaatsen. Zeldzame ontmoetingen kan de reiziger daar hebben.
Op de plaats, waar de Murray zijne westelijke richting plotseling in eene
zuidelijke verandert, en zijne oevers vijfmaal hooger zijn dan de hoogste
gomboomen en zoo rotsachtig en steil, dat ze haast niet begaan kunnen
worden, wilde onze reiziger zijn' dorst lesschen. Hij was verdwaald. Met
den stok moest hij zich den toegang tot het water verschaffen, dien eene
slang, welke een bad nam in den nacht, hem betwistte, —■ daar verscheen
plotseling een man met een allesbehalve gunstig uiterlijk, die met thee
den dorst des vermoeiden leschte, met brood zijn' honger stilde en hem
op den rechten weg bracht. Deze weldoener was, zooals onze reiziger bij
het afscheid vernam, de beruchte Sullivan, de gevreesdste van alle roovers.
Toen op een anderen keer de reiziger verdwaalde en krachteloos was neer-
gezonken , toen hij droomend naar de maan keek in de vaste overtuiging,
dat hij haar voor de laatste maal zag, vond hem eene troep zwervende
inboorlingen, gaf hem te eten en te drinken en leidde hem op den rech-
ten weg. 't Is nog geen dertig jaren geleden, dat de Blanken zich aan
den Murray begonnen te vestigen en nauwelijks tien jaren, dat stoombooten