Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
43ci
onder hen verdienen nu nog eene kleinigheid; velen gaan goud zoeken,
maar de groote hoop weet niet wat zij zal beginnen. Deze landloopers
leven op kosten van de „sUtions."
Het „station" is de residentie der herders; iemand die dit beroep uit-
oefent, wordt „squatter" genoemd. Op het station is de landbouw onbe-
kend ; het meel, dat men noodig heeft, wordt gekocht, en het vleesch
leveren de tallooze kudden. Op het eene station worden paarden, op het
andere koeien, op een derde schapen of geiten gehouden. Het getal schapen
wisselt naar den voorraad gras af van twintig- tot honderdduizend, dat
van de paarden en runderen van vijf- tot tienduizend. De inrichting van
een station, waarbij gewoonlijk 20 vierkante Engelsche mijlen land behoo-
ren, is tamelijk eenvoudig, 't Geheele gebied is in afdeelingen verdeeld,
die de Engelschman „paddok" noemt. Iedere „paddok" is door eene
„fence" (haag) omgeven en moet noodzakelijk van water voorzien zijn;
want de kudden blijven des zomers en des winters buiten, daar men in
Nieuw-Holland geene stallen kent. De kudden leven in volle vrijheid,
zonder daarin door de herders beperkt te worden; de dieren eten, drinken
en rusten wanneer het hun goeddunkt. In streken, waar genoeg hout is,
worden de hagen van palen gemaakt; waar slechts kreupelhout voorkomt,
zijn ze uit struiken gevlochten, en waar hout noch struiken aanwezig of
gemakkelijk te verkrijgen zijn, heeft men omheiningen van metaaldraad.
De laatste soort treft men het meest aan.
Bij gebrek aan water, terwijl de weide voor 't overige goed is, wordt
in een dal een „tanck" (vijver) gegraven, waarheen het regenwater langs
kanaaltjes wordt geleid. Zooals men ziet, komt een station bij de hooge
dagloonen, die voor handenarbeid moeten worden betaald, nogal duur.
Is het echter gereed, dan zijn de verdere uitgaven ook slechts gering; want
de kudden zorgen voor zich zeiven en er zijn maar enkele menschen noodig
om opzicht te houden. Daarom leeft de eigenaar ook maar zelden op het
station; de meesten hebben er een zaakwaarnemer. Het leven op het sta-
tion is zeer eentonig; de mensch is hier zonder gezelschap, zonder tijd-
verdrijf. Daarom kunnen hier ook alleen Engelschen en Schotten zich in
hun element gevoelen. Een Duitscher is hier een witte raaf. Het magere
gezicht, waarvan de huid aan de beenderen schijnt te zijn vastgegroeid,
de roode haren, de lange beenen, de geheele gestalte der bewoners schijnt
gemodelleerd naar eene figuur uit Walter Scott's romans. Vleesch is hier
natuurlijk gemakkelijk te krijgen; wat maakt het uit, of per week een
paar schapen meer of minder worden geslacht?
Als de arbeider des winters geen werk heeft, trekt hij van het eene
station naar het andere, en overal wordt hem thee en vleesch voorgezet,
zooveel hij verkiest. Zoo trekt hij den ganschen winter rond. Na het
ontbijt wint hij inlichtingen in omtrent het naastbijzijnde station, en als
de weg daarheen hem nauwkeuring beschreven is, neemt hij zijn' bundel
op den rug en gaat zijns weegs. Hij komt aan de eerste, de tweede en
de derde omheining; hier loopen de schapen schuw naar de paddoks; dan
I'. K. BOS, Globe. ■ 28