Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
430
HET LEVEN IN DE AUSTRALISCHE WILDERNISSEN.
Honderd Engelsche mijlen van het naaste huis en driehonderd mijlen
van het naaste stadje bevind ik mij nu, — zoo schrijft een Poolsch land-
verhuizer, die in Nieuw-Holland leeft, — in gezelschap van drie personen,
afgescheiden van de overige menschheid. In die eenzaamheid denk ik aan
mijn vaderland, en ik stel mij voor, hoe ze het daar nu hebben, mijne
vrienden en kennissen die ik verliet, 't Is echter niet zoo gemakkelijk, mij
dat voor te stellen; want Nieuw-Holland ligt aan de andere zijde van
den aequator, zoodat de jaargetijden hier en in Europa verschillen. Als
't bij u winter is en de sneeuw door den wind over de vlakte wordt ge-
dreven, dan wijst de thermometer hier in de schaduw misschien 120°
Fahrenheit, en de wind brandt in plaats van te verkoelen en bemoeilijkt
door zijn' gloed de ademhaling. Beschouwen wij eens het stuk woestijn,
waar ik mij moest gaan vestigen, 't Is eene hoogvlakte. Naar het zuiden
lokt een meer met zijn koel water, dat in de nabijheid van den oever
glad als een spiegel en rustig als de dood is; men ziet niet de kleinste
golf op zijne oppervlakte, en alleen in het midden veroorzaakt het tochtje,
dat over die vlakte strijkt, eene geringe beweging,- die zich in kleine zil-
verkleurige golfjes openbaart. Boven het meer trilt de lucht voortdurend
zoo sterk, dat er kleine vlammen uit schijnen te schieten, zoodat het oog
er pijnlijk door wordt aangedaan. Een donker woud van gomboomen sluit
den gezichteinder in die richting af. Naar het noorden, bij de helling van
die heuvelrij is die waterspiegel zoo schitterend, dat het oog er door wordt
verblind, en zoo groot, dat men zijne grenzen niet ziet. Het is het zout-
meer. Die spiegel wordt gevormd door eene laag zout van een, twee a
drie duim dikte, die zich in de verte schitterend wit, in de nabijheid
vuilwit vertoont. Naar het westen is de woestenij doodsch en door de zon
verdord; tusschen haar en het uitspansel bestaat niets behalve myriaden
van veldkrekels, mieren en slangen. De woestenij reikt veel verder dan
het oog kan zien. Naar het oosten gaat zij over in eene vrucht-
bare steppe, waaraan groepen van boomen en kudden schapen een eigen-
aardig karakter geven. Idyllisch ziet dit landschap er uit, als de duizenden
van schapen, die hier vroolijk weiden, voor eenigen tijd geschoren en nog
wit als sneeuw zijn.
Op de heuvelrij staan onze beide huisjes, d. z. onze woning en onze
keuken, die met hare tinnen daken stout naar boven rijzen en den zwer-
ver reeds van verre toeroepen, dat hier menschen zijn. 't Geheel is een
grootsch tafereel. Voor den Australiër behoeft men het niet te beschrijven;
voor hem is dit alles in het enkele woord „station" begrepen. In zulk een
station heb ik mijne penaten overgebracht. Men hoort hier niets van de