Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
428
opsporen en vervolgen van het wild heeft hij zijns gelijke bijna niet. Hij
is een voortreffelijk jager en veehoeder en een goed werkman, als hij
nauwkeurig weet wat hij moet doen. Met zijn talent voor navolging leert
hij gemakkelijk vreemde talen. Zoodra hij echter zelf moet denken en het
initiatief moet nemen, blijkt zijne minderheid. Hij eet en slaapt, hongert
en jaagt. Om den volgenden dag bekommert hij zich in 't geheel niet.
Deze karaktertrekken heeft hij gemeen met andere rassen, en waarschijnlijk
zou hij ten opzichte van die andere niet zoo laag zijn blijven staan, als
hij het geluk had gehad te leven in een land, dat hem eenige nuttige
planten, meer wild en enkele huisdieren kon aanbieden.
In de meeste streken gebruiken de Nieuwhollanders in 't geheel geene
kleeding of bedekking; alleen in het zuiden van het continent, waar het
klimaat ruwer is, en in het koelere jaargetijde, wikkelen zij zich in een kleed,
dat van eene kangaroehuid is gemaakt. Bijzónder veel moeite geven zij zich om
het hoofd op te smukken. Het haar wordt gewoonlijk met tanden, vischgraten,
vogelveeren of den staart van den dingo versierd. Alle Nieuwhollandsche
stammen, behalve enkele aan de zuidkust, maken insnijdingen in de huid en
beschilderen die. Onder zekere plechtigheden wordt de huid van de borst,
den bovenarm, de schouders en menigmaal ook van de lendenen met scherpe
schelpen opengereten; de wonden worden daarna zoo lang opengehouden,
tot ze litteekenen vormen. Ook is het gebruik vrij algemeen een of meer leden
van sommige vingers af te snijden en tanden uit te breken. In het noorden
vindt men stammen, die den middelsten neuswand doorboren en beenderen,
veeren, stukjes hout etc. door de opening steken; dit gebruik, alsmede de
versiering van armen en hals met schelpen en tanden, dat daar ook voorkomt,
schijnt van de Papoea's van Nieuw-Guinea te zijn overgenomen.
De woning van den Nieuwhollander is geheel in overeenstemming met
zijne lage ontwikkeling. In verscheiden streken van oostelijk Nieuw-Holland
worden stammen gevonden, die in holen leven. Enkele familiën slaan een-
voudig hunne legerplaats op in een bosch of in holle boomstammen. Waar
de inboorlingen hutten bouwen, zijn deze zeer ruw en eenvoudig van
boomschors gemaakt. De hutten van de opperhoofden en de stammen die
aan de kust wonen, zijn iets beter.
Het voedsel der inboorlingen bestaat uit alles wat maar eetbaar is in
den ruimsten zin; afschuw voor sommige dingen is hun niet bekend. Niet
alleen ratten, vleermuizen, hagedissen en slangen, maar ook aasetende
vogels, leelijke wormen en rupsen eten zij. Men moet daarbij in het oog
houden, dat Nieuw-Holland oorspronkelijk geene dieren bezit die getemd
en als huisdieren gebruikt kunnen worden, dat het zeer weinig wild heeft,
en dat nuttige planten die met onze korensoorten of de Amerikaansche
mais kunnen worden vergeleken, evenmin aanwezig zijn; de kangaroe is zeer
schuw en vlug. De inboorling moet zich dus wel geneeren met stoffen,
die andere volken niet zouden willen aanroeren. Hij eet niets rauw: alles
wordt boven het vuur geroosterd. Op sommige plaatsen eet men ook plant-
aardig voedsel, als de wilde yamswortel.