Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
422
Als de brandende hitte des dags voor de koelte van den nacht heeft
plaats gemaakt, dan zelfs mogen de paarden en runderen zich niet in
eene volkomene rust verheugen.^ Groote vleermuizen zuigen hun, gedurende
den nacht het bloed af of hangen zich vast aan hunne ruggen, waar zij
etterende wonden veroorzaken, waar een heirleger stekende insecten
verblijf in gaat houden. Zoo leiden deze dieren een smartvol leven, als
voor den zonnegloed het water van de aarde verdwijnt.
Breekt eindelijk na lange droogte de weldadige regentijd aan, dan ver-
andert plotseling het voorkomen der steppe. Het donkerblauw van den
onbewolkten hemel wordt lichter. Als een verwijderd gebergte verschijnen
enkele wolken in het zuiden, loodrecht boven den horizon opstijgende.
Als nevels breiden zich de steeds vermeerderende dampen over het zenith
uit. De verre donder verkondigt den levenbrengenden regen.
Nauwelijks is de eerste regen gevallen, of allerlei planten bedekken de
steppe. Door het licht geprikkeld, ontvouwen struikachtige mimosa's hare
neerhangende, sluimerende blaren en begroeten de rijzende zon, evenals
de morgenzang der vogels en de opengaande bloemen der waterplanten.
Paarden en runderen loopen nu vroolijk te grazen. Het hoog opschietende
gras verbergt den schoon gevlekten jagoear. In een zekeren schuilhoek op
de loer liggende en de grootte van zijn' sprong voorzichtig metende, verrast
hij de voorbijgaande dieren, evenals de Aziatische tijger.
Soms ziet men, zoo verhalen de inboorlingen, aan den oever der moe-
rassen den vochtig geworden leembodem zich langzaam en stuksgewijze
naar boven bewegen, en eene reusachtige waterslang of een gepantserde
krokodil stijgt uit den bodem te voorschijn, uit den zomerslaap gewekt
door de eerste regenbui.
Als nu allengs de rivieren, die de vlakte naar het zuiden begrenzen,
zwellen, dan dwingt de natiuir de dieren, die gedurende de eerste helft
des jaars op den waterloozen, stoflflgen bodem van dorst versmachtten, als
amphibien te leven. Een deel van de steppe schijnt in een onmetelijk meer
te zijn veranderd. De merries nemen met hare veulens de vlucht op de
hoogergelegene banken, die als eilanden boven den waterspiegel uit steken.
De droge plaatsen worden bij den dag kleiner. Uit gebrek aan gras zwem-
men de dieren uren lang rond en voeden zich karig van de bloeiende
grasspitsen, die boven het bruin geverfde schuimende water uit steken. Vele
veulens verdrinken; vele worden door de krokodillen gepakt, door de
scherpe tanden stuk gesneden en verslonden. Niet zelden ziet men paarden
en runderen, die, ontkomen aan den muil van deze bloedgierige, reusach-
tige amphibien, de sporen der spitse tanden aan den heup dragen.
Zoo iets herinnert onwillekeurig aan de buigzaamheid, waarmede de
natuur sommige dieren en planten heeft begiftigd. Evenals de meelrijke
vruchten van Ceres zijn het rund en het ros den mensch over de geheele
aarde gevolgd: van den Ganges tot aan den La-Platastroom, van de Afri-
kaansche kust tot aan de bergvlakte van den Antisana, die hooger ligt
dan de kegelberg van Teneriffe. Hier beschermt de noordsche berk, daar