Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
419
De Llano's zijn met eene dunne laag vruchtbaar aarde bedekt, en zij
worden periodiek door regens bevochtigd en dan met welig groeiend gras
bedekt; maar toch hebben zij de aangrenzende volksstammen niet kunnen
verlokken om de schoone dalen van Caracas, de zeekust en de rivierwe-
reld van den Orinoko te verlaten voor deze boom- en bronlooze vlakte.
Daarom vond men de steppe dan ook bij de aankomst der Europeesche
en Afrikaansche kolonisten bijna geheel onbewoond.
Wel waren de Llano's toen en vroeger reeds even geschikt voor de vee-
teelt, maar deze bezigheid was den bewoners der Nieuwe Wereld bijna
geheel onbekend. Het Amerikaansche ras klom niet van den trap 'des
iagerlevens langs dien van het herdersleven tot den landbouw op, althans
slechts voor een klein gedeelte. Noord-Amerika had als inheemsch herkau-
wend dier den bison, die door eenige stammen vroeger schijnt te zijn
getemd en stoffen voor kleeding, voedsel en drank (voor het laatste niet
de melk maar het bloed) leverde. Zuid-Amerika bezat geen runderen of
schapen; op de hoogvlakten in het westen leefden de vicunas, de huanaco's
of guanaco's, de alpaca's en de lama's, die het warme klimaat der laag-
vlakten niet kunnen verdragen.
Bleef dus het herdersleven, die geleidelijke overgang tusschen het wilde
jagersleven en den gezeten landbouw, aan de oorspronkelijke volken van
Amerika bijna geheel onbekend, dan hebben we daarin de oorzaak te
zien van de onbewoondheid der Zuidamerikaansche steppen. Des te vrijer
heeft zich er echter de dierenwereld ontwikkeld: vrij en in hunne ontwik-
keling en vermeerdering alleen door zich zeiven beperkt, evenals de plan-
ten in de wouden van den Orinoko, waar de hymenae en de reusachtige
laurier nooit de vernielende hand des menschen, maar alleen den weelde-
rigen groei der woekerende slingerplanten te duchten hebben. Agutis,
kleine bont gevlekte herten, gepantserde armadillen, die als ratten den haas
in zijne onderaardsche holen opjagen; kudden van trage chiguiren, sclïoon
gevlekte viverren, die de lucht verpesten; de groote manenlooze leeuw;
bont gevlekte jaguars (ook Amerikaansche tijgers geheeten), die den ge-
dooden jongen stier op een' heuvel kunnen sleepen: — deze en nog vele
andere dieren zwerven over de boomlooze vlakte.
De Llano's hadden zeker geene nomaden, — die bovendien evenals in
Azie aan plantaardig voedsel de voorkeur geven, — tot zich gelokt, als
hier en daar niet de waaierpalm, Mauritia, voorkwam. ') De voortreffelijke
') Het aantal loof boomen is tegenwoordig opverrena niet zoo gering meer, als het
ten tijde van Humboldt's reis schijnt geweest te zijn. Het schouwspel van een vrijen,
scherp begrensden horizon, van een' „oceaan van gras", zooals Humboldt het beschrijit,
heb ik eerst veel later, in de nabijheid van den Apure genoten, schrijft Dr. Sachs.
Voor 't overige zijn de Llano's tegenwoordig zoodanig met boomen bezet, dat overal
het grootste deel van den horizon door groene boschjes schijnt ingenomen te zijn, die
echter nog altijd in verhouding tot de wijde grasvlakte slechts eilanden in den oceaan
schijnen te zijn.
De Llanero's (bewoners der Llano's) weten zeer goed, dat er in dit opzicht eene ver-
20*